De rechtbank Den Haag behandelde op 3 februari 2014 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige wiens moeder recent was overleden onder verdachte omstandigheden. De vader, verdachte en gedetineerd, oefent het ouderlijk gezag uit samen met de stiefmoeder. De minderjarige was sinds november 2013 uit huis geplaatst.
De Raad en Bureau Jeugdzorg stelden dat de complexe en spanningsvolle situatie, inclusief verdenking van de vader en conflicten binnen de familie, ernstige bedreigingen voor de geestelijke en zedelijke belangen van de minderjarige oplevert. Zij pleitten voor langdurige uithuisplaatsing in een stabiele pleegomgeving en benoeming van een gezinsvoogd.
De vader en stiefmoeder voerden verweer dat zij adequaat voor de minderjarige zorgen en dat de uithuisplaatsing juist schadelijk is. Zij ontkenden betrokkenheid bij het overlijden van de moeder en benadrukten het belang van terugkeer naar de vertrouwde omgeving.
De rechtbank oordeelde dat de gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn vanwege de ernstige bedreiging van de belangen van de minderjarige, maar dat de gronden voor machtiging tot uithuisplaatsing onvoldoende zijn. Terugplaatsing bij de stiefmoeder, met gezinsvoogd toezicht, is in het belang van de stabiliteit en ontwikkeling van het kind. De machtiging tot uithuisplaatsing werd daarom afgewezen en de ondertoezichtstelling voor een jaar uitgesproken.