De rechtbank Den Haag heeft op 10 februari 2014 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de vader. De ondertoezichtstelling was reeds verlengd tot 23 februari 2014 en de machtiging tot uithuisplaatsing liep tot dezelfde datum. Bureau Jeugdzorg verzocht om verlenging voor een periode van één jaar.
De moeder stemde in met de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar betwistte de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en stelde dat een civiele procedure voor wijziging van de hoofdverblijfplaats meer passend zou zijn. De vader en de minderjarige gingen akkoord met het verzoek en waren niet aanwezig bij de zitting.
De kinderrechter oordeelde dat de wettelijke gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn. De minderjarige maakt een positieve ontwikkeling door en heeft rust om zich leeftijdsadequaat te ontwikkelen. Ondanks dat de hoofdverblijfplaats volgens een eerdere uitspraak bij de moeder ligt, is het belang van het kind gediend met voortzetting van het verblijf bij de vader. Omdat geen procedure tot wijziging van de hoofdverblijfplaats aanhangig is, is een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk.
De moeder werd erop gewezen dat zij, indien zij contactherstel wenst, moet accepteren dat het kind met plezier bij de vader woont en respectvol jegens hem moet optreden. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.