ECLI:NL:RBDHA:2014:3067

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2014
Publicatiedatum
12 maart 2014
Zaaknummer
C-09-430978 - FA RK 12-8534
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:227 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot erkenning buitenlandse adoptie wegens ontbreken kennelijk belang minderjarige

De verzoekster, van Ghanese origine en woonachtig in Nederland, heeft in Ghana een adoptie van een minderjarige beoogd zonder voorafgaande beginseltoestemming van de Nederlandse minister. De rechtbank heeft de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd een onderzoek te verrichten naar het kennelijk belang van de minderjarige bij erkenning van deze adoptie.

Uit het raadsrapport en de zitting blijkt dat verzoekster zich onvoldoende heeft voorbereid op de adoptieprocedure en onvoldoende inzicht heeft in de opvoedkundige vereisten. De minderjarige is sinds zes maanden oud opgevoed door de stiefzus van verzoekster in Ghana, waarmee een primaire hechting bestaat. De verhuizing naar Nederland zou leiden tot onthechting en een ingrijpende verandering van woonomgeving.

De rechtbank concludeert dat de adoptie niet in het kennelijk belang van de minderjarige is en dat afwijzing van het verzoek het belang van het kind niet ernstig zal schaden. Ook het subsidiaire verzoek tot adoptie naar Nederlands recht wordt afgewezen omdat ook dan het kennelijk belang ontbreekt.

De rechtbank wijst de verzoeken af en handhaaft de eerdere overwegingen dat er geen bijzondere geschiktheid van de adoptiefouder is en dat erkenning niet gerechtvaardigd is.

Uitkomst: Verzoek tot erkenning van de buitenlandse adoptie en subsidiaire adoptie naar Nederlands recht wordt afgewezen wegens ontbreken van het kennelijk belang van de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 12-8534
Zaaknummer: C/09/430978
Datum beschikking: 12 maart 2014

Erkenning buitenlandse adoptie

Beschikking op het op 9 november 2012 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster],

verzoekster,
wonende te [woonplaats],
advocaat: mr. T.O. Sohansingh te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag,
zetelend te Den Haag,
hierna: de ambtenaar.

Procedure

Verzoekster heeft verzocht:
  • primair: voor recht te verklaren dat is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning van de in Ghana tot stand gekomen adoptie van de minderjarige [de minderjarige] (thans geheten [de minderjarige]) door verzoekster;
  • subsidiair: de adoptie van de minderjarige door verzoekster naar Nederlands recht uit te spreken.
Bij beschikking d.d. 12 juni 2013 van deze rechtbank is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) verzocht met spoed een onderzoek te verrichten naar de vraag of de verzochte erkenning van de “Adoption Order”, op 1 maart 2012 uitgesproken door rechter [naam] te [plaats] (Ghana), waarbij de adoptie door verzoekster van de minderjarige is uitgesproken, in het kennelijk belang van de minderjarige moet worden geacht. Iedere beslissing op de verzoeken is aangehouden in afwachting van de resultaten van het onderzoek door de raad.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook
- het rapport van de raad d.d. 18 november 2013 (kenmerk [kenmerknummer]).
Op 12 februari 2014 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet ten overstaan van
mr. J. Brandt. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de heer A.R. Baptiste en mevrouw J.G. Oemar namens de ambtenaar, alsmede de heer J. Span namens de raad. Vervolgens is de zaak verwezen naar de Meervoudige Kamer van deze rechtbank.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Erkenning buitenlandse adoptie
In het licht van de stukken en de verklaring van verzoekster ter terechtzitting stelt de rechtbank het navolgende vast. Verzoekster is van Ghanese origine en verblijft sinds 1996 in Nederland. Vanwege een onvervulde kinderwens heeft verzoekster zich in 2009 bij het Ghanese Department of Social Welfare aangemeld voor de adoptie van een kind uit dat land. Verzoekster heeft zich daarbij niet verdiept in de Nederlandse regelgeving voor interlandelijke adopties en beschikte evenmin over beginseltoestemming van de Minister van Veiligheid en Justitie. In januari 2011 heeft het Department of Social Welfare de minderjarige toegewezen aan verzoekster. De minderjarige was op dat moment ongeveer zes maanden oud. Na een aantal weken is verzoekster vanuit Ghana teruggekeerd naar Nederland, waarbij de minderjarige bij de stiefzus van verzoekster is achtergebleven. Verzoekster is vervolgens in 2012 opnieuw naar Ghana gereisd voor de adoptieprocedure. Omdat het niet mogelijk bleek de minderjarige daarna mee te nemen naar Nederland, is de minderjarige wederom bij de stiefzus van verzoekster gebleven. Sindsdien heeft verzoekster de minderjarige jaarlijks bezocht. Daarnaast hebben zij frequent contact via Skype. Verzoekster wenst de minderjarige in Nederland op te nemen in het gezin dat zij samen met haar partner vormt.
Bij beschikking d.d. 12 juni 2013 heeft de rechtbank geoordeeld dat de omstandigheid dat verzoekster niet voorafgaand aan de Ghanese Adoption Order beschikte over de vereiste beginseltoestemming, niet per definitie aan erkenning van die adoptie in de weg hoeft te staan. Aan het ontbreken van beginseltoestemming kan voorbij worden gegaan, indien dit in het kennelijk belang van de minderjarige is en afwijzing van het verzoek het belang van de minderjarige ernstig zou schaden.
Naar het oordeel van de rechtbank is, mede gelet op het advies van de raad en het verhandelde ter terechtzitting, niet komen vast te staan dat toewijzing van het verzoek in het belang van de minderjarige is, noch dat afwijzing van dit verzoek het belang van de minderjarige ernstig zal schaden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Uit het raadsrapport komt naar voren dat er ernstige twijfels bestaan over de geschiktheid van verzoekster (en haar partner) als aspirant adoptiefouder(s). In dit verband geldt allereerst dat verzoekster zich onvoldoende heeft voorbereid op de adoptieprocedure. Dit blijkt onder meer uit het feit dat zij zich niet heeft verdiept in de toepasselijke regelgeving rondom adopties en in de invloed die een interlandelijke adoptie heeft op een kind. Bovendien geeft verzoekster blijk van onvoldoende inzicht in de opvoedvaardigheden die van een adoptiefouder worden gevergd. Hoewel niet wordt getwijfeld aan de bedoeling van verzoekster de minderjarige een liefdevol thuis te bieden, is ook ter terechtzitting gebleken dat verzoekster zich onvoldoende realiseert wat de door haar gewenste (erkenning van de) adoptie van de minderjarige van haar als opvoeder vraagt. Evenmin heeft zij concrete ideeën ontwikkeld over de wijze waarop zij een band met de minderjarige zal gaan opbouwen, dan wel over de manier waarop zij zal omgaan met vraagstukken als statusvoorlichting.
Ten aanzien van de geschiktheid van verzoekster als adoptiefouder geldt bovendien dat zij thans 47 jaar is, terwijl de minderjarige ruim 3,5 jaar oud is. Op grond van de Wobka moet sprake zijn van een bijzondere geschiktheid van de adoptiefouder, indien het leeftijdsverschil tussen de aspirant adoptiefouder en het te adopteren kind meer dan 40 jaar bedraagt, dan wel wanneer het te adopteren kind ouder is dan twee jaar. In het licht van het vorenstaande is van een dergelijke bijzondere geschiktheid niet gebleken.
De rechtbank overweegt voorts dat de minderjarige, die ruim 3,5 jaar oud is, zich blijkens het raadsrapport bevindt in een fase waarin de hechting aan volwassenen plaatsvindt. Nu hij al sinds hij zes maanden oud is wordt opgevoed door de stiefzus van verzoekster, zal de minderjarige primair zijn gehecht aan deze stiefzus, alsmede aan de overige gezinsleden. Verzoekster wenst dat de minderjarige na de erkenning van de Ghanese adoptie deel zal uitmaken van haar gezin in Nederland. Deze verhuizing van de minderjarige naar Nederland zal ertoe leiden dat hij de persoon (dan wel de personen) aan wie hij het meest is gehecht, moet verlaten. Daarbij zal hij dan worden geconfronteerd met een volstrekt andere woonomgeving. Met de raad stelt de rechtbank vast dat verzoekster zich onvoldoende realiseert welke ingrijpende gevolgen dit voor de minderjarige zal hebben. Verzoekster volstaat met het uitspreken van de verwachting dat het bieden van liefde voldoende zal zijn om de minderjarige te laten wennen aan zijn nieuwe omgeving, terwijl zij bovendien benadrukt dat zij en haar partner in staat zijn de minderjarige materieel al datgene te bieden dat hij nodig heeft. De accenten die verzoekster legt in haar uitleg over haar ideeën over de verzorging van de minderjarige zijn mogelijk cultureel bepaald. Daaraan doet evenwel niet af dat de rechtbank gegronde reden heeft te twijfelen aan de vaardigheden van verzoekster de minderjarige te ondersteunen, indien hij door de ingrijpende verhuizing en de onthechting van (het gezin van) de stiefzus van verzoekster problemen zou ondervinden. Blijkens de uitlatingen van verzoekster tijdens het raadsonderzoek en ter terechtzitting is zij zich er immers eenvoudigweg niet van bewust dat zich dergelijke problemen kunnen voordoen.
In het licht van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de adoptie door verzoekster niet in het kennelijk belang is van de minderjarige.
Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat de belangen van de minderjarige ernstig zullen worden geschaad bij afwijzing van het verzoek. In dit verband geldt dat verzoekster en de minderjarige slechts gedurende een aantal weken persoonlijk contact hebben gehad. Gelet op de leeftijd van de minderjarige valt naar het oordeel van de rechtbank niet te verwachten, dat hij door de Skypegesprekken met verzoekster een bestendige emotionele band met verzoekster heeft opgebouwd. Om die reden zal afwijzing van het verzoek het zwaarwegend belang van de minderjarige niet schaden.
Verzoekster heeft ter terechtzitting verklaard dat haar stiefzus wellicht op termijn niet langer voor de minderjarige kan of wil zorgen. Deze stelling is evenwel door haar niet nader onderbouwd. Nu niet is komen vast te staan dat de minderjarige zijn vertrouwde woonomgeving sowieso zal moeten verlaten, is de suggestie van verzoekster in die richting onvoldoende om te komen tot het oordeel dat afwijzing van het verzoek het belang van de minderjarige ernstig schaadt.
Op grond van het voorgaande zal het verzoek te verklaren voor recht dat de Ghanese Adoption Order voor erkenning in Nederland in aanmerking komt, worden afgewezen. Om die reden kan in het midden blijven of – gelet op de in het raadsrapport vermelde signalen over misstanden in Ghanese adoptieprocedures – moet worden teruggekomen op de bij beschikking d.d. 12 juni 2013 gegeven bindende eindbeslissing dat in Ghana sprake is geweest van een behoorlijke rechtspleging en dat erkenning van de Adoption Order niet zal strijden met de Nederlandse openbare orde.
Adoptie naar Nederlands recht
Nu het primaire verzoek zal worden afgewezen, ligt ter beoordeling voor het subsidiaire verzoek tot het uitspreken van de adoptie van de minderjarige door verzoekster naar Nederlands recht.
Ingevolge artikel 1:227 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek kan het verzoek alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang van de minderjarige is. In het licht van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat dit niet het geval is. Om die reden zal ook het subsidiaire verzoek worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst af de verzoeken van de vrouw.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, M.P. Verloop en J. Brandt, kinderrechters, bijgestaan door P. Kolenbrander als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2014.