ECLI:NL:RBDHA:2014:3626
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod wegens betrokkenheid bij genocide Rwanda 1994
Eiser, een Rwandese vreemdeling, kreeg in 2000 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en in 2003 een vergunning voor onbepaalde tijd toegekend. Verweerder besloot deze vergunningen in 2013 in te trekken en een inreisverbod van tien jaar op te leggen, op grond van een individueel ambtsbericht dat ernstige betrokkenheid van eiser bij de genocide op Tutsi's in Rwanda in 1994 vaststelt.
Eiser betwist de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht en stelt dat hij geen actieve rol had bij de MRND of de CDR en dat hij risico loopt op verboden behandeling bij terugkeer naar Rwanda. De rechtbank oordeelt dat het ambtsbericht zorgvuldig en betrouwbaar is opgesteld, gebaseerd op meerdere bronnen die elkaar ondersteunen met concrete details.
De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser betrokken was bij ernstige misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en dat eiser bij zijn asielaanvraag niet volledig heeft verklaard. Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard, en het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard, mede omdat geen reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro is aangetoond.
De rechtbank weegt ook de belangen van het gezinsleven van eiser mee, maar acht de inmenging gerechtvaardigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en er worden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen intrekking verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het tienjarige inreisverbod wordt ongegrond verklaard.