ECLI:NL:RBDHA:2014:49
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inhouding bezoldiging wegens ongeoorloofde afwezigheid militair
Eiser, korporaal der eerste klasse, was gedurende een periode van 24 maart tot 31 maart 2011 ongeoorloofd afwezig, ondanks een sommatieschrift om zich te melden. De commandant heeft daarop een aangifte gedaan bij de Koninklijke Marechaussee, wat niet tot vervolging leidde. Verweerder hield een deel van de bezoldiging in vanwege deze afwezigheid. Eiser maakte bezwaar, dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard, maar later door de rechtbank werd vernietigd, waarna een nieuwe beslissing volgde.
De rechtbank overwoog dat eiser zich niet aan de verplichting hield om tussen 09.00 en 10.00 uur bereikbaar te zijn, terwijl hij niet was ontheven van deze verplichting. Ondanks zijn psychische klachten en behandeling bij de MGGZ was hij niet ziek verklaard door een arts. Eiser kon niet aannemelijk maken dat hij afdoende bereikbaar was voor zijn commandant. Het beroep richtte zich op de inhouding van bezoldiging over de periode 24 tot 31 maart 2011.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de inhouding toepaste op grond van artikel 18 van Pro het Inkomstenbesluit militairen en artikel 2 van Pro de Regeling ziek- en hersteldmelding defensiepersoneel. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de inhouding van bezoldiging wegens ongeoorloofde afwezigheid wordt ongegrond verklaard.