Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.Geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 3
4.Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangenvan de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (HR 19 december 1995,
NJ1996/249).
doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachtediens recht op een eerlijk proces heeft geschonden. Het feit dat het onderzoek niet voortvarend heeft plaatsgevonden waardoor de redelijke termijn is overschreden, kan evenmin leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Een overschrijding van de redelijke termijn kan verdisconteerd worden in de (eventuele) strafoplegging.
5.Bewijsoverwegingen
wistdat hun kennis van de Engelse taal onvoldoende was om de opleiding succesvol af te kunnen ronden. Het doel van het volgen van een opleiding is het behalen van een einddiploma. De studenten werd in verband met die opleiding toegang tot Nederland verleend. Door deze studenten toch te accepteren op de universiteit heeft verdachte (als medepleger) deze studenten
wederrechtelijk toegangverleend tot Nederland. Zonder toelating tot de EUPE was de verblijfsvergunning hen immers nooit verstrekt. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte onjuiste voorlichting heeft gegeven over de opleiding aan de EUPE, terwijl de aangeboden studie ondermaats was, de studenten de Engelse taal onvoldoende machtig waren en voor woonruimte teveel betaald moest worden. Dit alles leidt tot de conclusie dat sprake is van oplichting, aldus de officier van justitie.