Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2014 in de zaak tussen
[X], wonende te [Z], eiser
de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [te P], verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
De hiervoor gemelde koopprijs wordt door koper voldaan doordat koper bij deze verklaart de helft van de op heden openstaande schuld van de heer [F] aan ABN AMRO Bank N.V. doch slechts voor zover deze schuld betrekking heeft op het hiervoor omschreven registergoed aan de [adres], te dragen en hiervoor aansprakelijk te zijn onder de voorwaarden en condities zoals nader tussen partijen onderling schriftelijk zal worden overeengekomen.”en de door eiser in de bezwaarfase overige overgelegde stukken hoefde verweerder niet te concluderen dat de tegenprestatie, in plaats van € 425.000, € 657.608,62 bedroeg. Weliswaar bleek uit die stukken dat de helft van genoemde schuld € 657.608,62 bedroeg, maar hieruit viel niet af te leiden dat partijen hadden afgesproken dat eiser dit gedeelte van de schuld zou overnemen als tegenprestatie voor de onroerende zaak. Bovendien heeft eiser, zoals verweerder ook - onweersproken - heeft verklaard, kennelijk in zijn aangifte overdrachtsbelasting eveneens een bedrag van € 425.000 vermeld. De rechtbank merkt hierbij op dat die belasting wordt berekend over de waarde van de onroerende zaak, waarbij de waarde ten minste gelijk is aan die van de tegenprestatie (art. 9, lid 1 Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970).