ECLI:NL:RBDHA:2014:5823
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht asielaanvraag aan Frankrijk wegens ontbreken risico schending artikel 3 EVRM
Verzoeker, met de Mongoolse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning in Nederland, die werd afgewezen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielprocedure. Verzoeker stelde dat hij bij overdracht aan Frankrijk in een versnelde procedure zou worden behandeld, wat een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren, verwijzend naar het arrest I.M. tegen Frankrijk van het EHRM.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker in Frankrijk al een volledige asielprocedure heeft doorlopen en dat de omstandigheden van zijn zaak niet vergelijkbaar zijn met die in het arrest I.M. Het EHRM oordeelde in die zaak over een eerste asielaanvraag, terwijl verzoeker hier een herbeoordeling ondergaat. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro.
Daarom heeft de voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter B. Meijer op 14 mei 2014 en is niet vatbaar voor hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de overdracht aan Frankrijk wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.