Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.Bewijsoverwegingen
een ander dan die persoonte dwingen iets te doen. In onderhavige zaak is van ‘een ander’ als bedoeld in artikel 282a Sr geen sprake. De rechtbank acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met zijn medeverdachten [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden ten gevolge waarvan zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] is ontstaan, zoals dit onder feit 3 subsidiair is ten laste gelegd. De rechtbank zal verdachte wel partieel vrijspreken van de onder feit 3 subsidiair ten laste gelegde onderdelen die zien op het buiten aan [slachtoffer] tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, het doorladen van dat voorwerp en het tonen van een stanleymes aan [slachtoffer], aangezien er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat verdachte samen met zijn medeverdachten ook die handelingen heeft gepleegd. Verdachte en [medeverdachte 2] hebben consistent en consequent verklaard dat die handelingen niet hebben plaatsgevonden en de rechtbank ziet geen aanleiding om op dit punt aan die verklaringen te twijfelen.
4.De strafbaarheid van de feiten
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De strafoplegging
7.De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel
8.De inbeslaggenomen goederen
9.De toepasselijke wetsartikelen
10.De beslissing
4 (vier) JAREN;
1 (één) JAARniet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;