Uitspraak
Rechtbank Den HAAG
Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 11 maart 2014 ingekomen verzoek van:
[de vader],
[de moeder]
Procedure
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
Rechtbank Den Haag
De vader verzocht de rechtbank om de onmiddellijke terugkeer van zijn minderjarige kind naar Polen te gelasten, omdat de moeder het kind zonder zijn toestemming naar Nederland had overgebracht. De moeder stelde dat toestemming was gegeven via de ondertekening van het paspoortaanvraagformulier, maar dit werd door de vader betwist. De rechtbank oordeelde dat er geen toestemming was voor een langdurig verblijf in Nederland en dat de overbrenging daarom ongeoorloofd was volgens artikel 3 van Pro het Haags Kinderontvoeringsverdrag.
De rechtbank stelde vast dat minder dan een jaar was verstreken sinds de overbrenging, waardoor op grond van artikel 12 lid 1 van Pro het Verdrag onmiddellijke terugkeer moest volgen, tenzij een weigeringsgrond van artikel 13 van Pro toepassing was. De moeder voerde aan dat terugkeer schadelijk zou zijn voor het welzijn van het kind, maar dit werd niet bewezen en er waren geen weigeringsgronden van toepassing.
De rechtbank gelastte de terugkeer uiterlijk op 8 mei 2014 en wees het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen tot kosten af wegens onvoldoende specificatie. De proceskosten werden gecompenseerd en iedere partij draagt haar eigen kosten. De beschikking kan binnen twee weken worden aangevochten door hoger beroep.
Uitkomst: De rechtbank gelast de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Polen uiterlijk op 8 mei 2014.