Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het tussenvonnis van 27 november 2013;
- de akte aan de zijde van Vroom van 22 januari 2013;
- de akte aan de zijde van [A] 19 februari 2014.
2.De beoordeling
2.842,00 (2 punt × tarief € 1.421,00)
Rechtbank Den Haag
Vroom FunderingsTechnieken B.V. vordert schadevergoeding van [A], directeur van Panagro, wegens het ondertekenen van een garantstelling namens de Holding zonder daartoe bevoegd te zijn. De garantstelling betrof een garantie van de Holding voor verplichtingen van Panagro aan Vroom.
De rechtbank stelt vast dat [A] onbevoegd was om namens de Holding te tekenen en dat dit onbevoegd handelen onrechtmatig kan zijn indien het in strijd is met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Gezien de omvang van de opdracht en de omstandigheden mocht Vroom erop vertrouwen dat de vertegenwoordiging rechtsgeldig was. Het onbevoegd handelen van [A] wordt daarom als toerekenbaar onrechtmatig aangemerkt.
Echter, Vroom slaagt er niet in voldoende feiten te stellen die aantonen dat het onrechtmatig handelen van [A] causaal verband houdt met de door haar gestelde schade. De schade hangt samen met het faillissement van Panagro en de Holding, maar Vroom heeft onvoldoende onderbouwd dat zonder de fout van [A] de schade niet zou zijn geleden.
De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt Vroom in de proceskosten. De overige stellingen behoeven geen bespreking meer.
Uitkomst: De vordering van Vroom wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van causaal verband tussen onbevoegd handelen en schade.