ECLI:NL:RBDHA:2014:7761
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verbod op gebruik civielrechtelijke uitspraken als bewijsmiddel in strafzaak
In deze zaak vordert eiser een verbod voor de Staat om civielrechtelijke uitspraken en de onderliggende stukken, die hebben geleid tot een contact- en straatverbod, als bewijsmiddel in een strafzaak te gebruiken. Eiser stelt dat deze uitspraken onrechtmatig tot stand zijn gekomen en dat hij zich niet naar behoren heeft kunnen verweren, waardoor ze niet in het strafdossier thuishoren.
De rechtbank overweegt dat het samenstellen van het strafdossier en de keuze van de processtukken aan de officier van justitie toekomt, die een ruime beleidsvrijheid heeft. De civielrechtelijke uitspraken hebben betrekking op dezelfde feiten als de strafzaak, waardoor het begrijpelijk is dat deze in het strafdossier zijn opgenomen. De bezwaren van eiser tegen de totstandkoming van de uitspraken zijn niet relevant voor de beslissing over opname in het strafdossier.
Ook is niet aannemelijk geworden dat de civielrechtelijke uitspraken niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Eiser kan zijn bezwaren tegen deze uitspraken aan de strafrechter voorleggen. Het verzoek tot schorsing van de civielrechtelijke uitspraken wordt eveneens afgewezen, omdat dit niet tegen de Staat maar tegen de tenuitvoerleggende partij zou moeten worden gericht en de verboden inmiddels niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn.
De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten en nakosten. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het verzoek om het gebruik van civielrechtelijke uitspraken als bewijsmiddel in de strafzaak te verbieden wordt afgewezen.