ECLI:NL:RBDHA:2014:7909
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verbod executiemaatregelen tegen vennoot voor boetebeschikkingen vennootschap onder firma
De zaak betreft een kort geding tussen een vennoot van een vennootschap onder firma (vof) en de Staat der Nederlanden over executiemaatregelen met betrekking tot boetebeschikkingen opgelegd aan de vof.
De vennoot vorderde primair een verbod op executiemaatregelen tegen hem persoonlijk, stellende dat de boetes niet tegen hem maar tegen de vof waren opgelegd en dat hij niet in de gelegenheid was gesteld rechtsmiddelen aan te wenden. De Staat stelde dat iedere vennoot hoofdelijk aansprakelijk is voor de verbintenissen van de vof en dat het recht stond om de vennoot persoonlijk aan te spreken.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 18 van Pro het Wetboek van Koophandel iedere vennoot hoofdelijk aansprakelijk is, zodat de Staat terecht de vennoot aansprakelijk stelde. Ook was gebleken dat de vennoot rechtsmiddelen had kunnen instellen, zoals hij ook deed voor één boetebeschikking. De vorderingen werden daarom afgewezen.
De vennoot werd veroordeeld in de proceskosten en nakosten, met een uitvoerbare bij voorraad verklaring van de kostenveroordeling. De rechtbank wees ook de voorwaardelijke vordering tot aanhouding van de zaak af, omdat geen verband was met de positie van medevennoten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verbod op executiemaatregelen af en veroordeelt de vennoot in de proceskosten.