ECLI:NL:RBDHA:2014:9445
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- D. Allewijn
- Rechtspraak.nl
Toekenning stimuleringspremie na onterechte weigering bij ontslag militair
Eiser, een militair, diende op 9 december 2013 zijn ontslag in en verzocht daarbij om een stimuleringspremie. Verweerder, de minister van Defensie, wees dit verzoek af omdat eiser volgens hem nooit daadwerkelijk herplaatsingskandidaat was geweest, aangezien hij vanaf 9 december 2013 op een functie was geplaatst binnen het Logistiek Centrum Woensdrecht. Eiser betwistte dit en stelde dat hij vanaf 22 oktober 2013 herplaatsingskandidaat was geworden omdat hem niet binnen drie maanden een functie was toegewezen na het vervallen van zijn vorige functie.
De rechtbank stelde vast dat de zogenoemde zwevende periode liep van 22 juli 2013 tot 9 december 2013 en dat eiser zich terecht als herplaatsingskandidaat mocht beschouwen vanaf 9 december 2013. De rechtbank oordeelde dat het SBK 2012 van toepassing was en dat eiser aanspraak maakte op de stimuleringspremie. Het besluit van verweerder om de premie niet toe te kennen werd vernietigd.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Het beroep werd gegrond verklaard en verweerder werd verplicht alsnog de premie toe te kennen aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit en beveelt toekenning van de stimuleringspremie aan eiser.