Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 januari 2014 in de zaak tussen
[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]
de staatsecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
oud, thans B8/3) van de Vc 2000. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat een dergelijke aanvraag geen zin heeft. Voorts voert eiseres aan dat ingevolge artikel 6.5, tweede lid, onder b, van het Vb 2000 aan een vreemdeling geen inreisverbod wordt uitgevaardigd indien deze als slachtoffer of getuige-aangever in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vw 2000. Verweerder heeft deze mogelijkheid ten onrechte ter zijde geschoven met het beroep op de aanwezigheid van gevaar voor de openbare orde en heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het ‘non-punishmentbeginsel’ ten aanzien van eiseres niet opgaat en dat dit bovendien bij de oplegging van het inreisverbod geen rol kan spelen. Het verband tussen de strafrechtelijke veroordeling en de uitbuiting van eiseres is zonneklaar. Het strafbare feit waarvoor eiseres is veroordeeld, is gepleegd in de woning van de uitbuiters terwijl eiseres werd uitgebuit. Zonder werkgeverschap, opdrachtstructuur, uitbuiting en mishandeling van eiseres door degene tegen wie aangifte is gedaan, zou ook geen uitvoering zijn gegeven aan de opdrachten tot mishandeling van het kind en zou geen tegen het leven gericht misdrijf zijn gepleegd.
oud). Een dergelijke vergunning wordt nimmer verleend indien er sprake is van gevaar voor de openbare orde en de inbreuk op de openbare orde geen verband houdt met het feit waarvoor de aangifte mensenhandel is gedaan. Bovendien staat de ongewenstverklaring in de weg aan het verlenen van een dergelijke verblijfsvergunning. Verweerder stelt zich daarnaast (ten overvloede) op het standpunt dat een verblijfsvergunning op grond van het voormalige B9-beleid wordt afgegeven tijdens een lopend strafproces. Nu eiseres ten tijde van dat proces zelf verdachte was van een strafbaar feit, zou zij reeds op basis hiervan niet in aanmerking komen voor een B9-verblijfsvergunning. Ten aanzien van het non-punishmentbeginsel heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit beginsel thuishoort in de strafrechtelijke procedure, nu dit beginsel staten verplicht het mogelijk te maken om slachtoffers van mensenhandel niet te bestraffen voor strafrechtelijke gedragingen die zij onder dwang hebben begaan.