ECLI:NL:RBDHA:2015:10153

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 augustus 2015
Publicatiedatum
27 augustus 2015
Zaaknummer
15/15083
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.W. Ente
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 3 EVRMArt. 3 IVRKArt. 1A VluchtelingenverdragArt. 29 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag minderjarige Algerijn wegens onvoldoende zwaarwegende gronden en opvangmogelijkheden

Eiser, een minderjarige met de Algerijnse nationaliteit, diende op 29 juni 2015 een asielaanvraag in die door de staatssecretaris op 10 augustus 2015 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 20 augustus 2015 en oordeelde dat de geloofwaardig geachte elementen uit het asielrelaas niet leiden tot een grond voor bescherming op basis van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 EVRM Pro.

De rechtbank stelde vast dat de problemen van eiser, zoals pesterijen en bedreigingen door drugsdealers, onvoldoende zwaarwegend zijn en dat hij geen bescherming heeft gezocht bij de autoriteiten. Ook is het toekomstperspectief in Algerije geen reden voor verblijfsvergunning. Daarnaast is de opvang voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen in Algerije beschikbaar, waar eiser eerder ook verbleef.

Het beroep op artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind faalt eveneens omdat de belangen van het kind volgens de rechtbank voldoende zijn meegewogen. De rechtbank concludeert dat eiser geen rechtsgrond heeft voor verlening van een verblijfsvergunning en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en de aanvraag afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 15/15083
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 augustus 2015 in de zaak tussen
[naam] , eiser,
gemachtigde mr. R.E. Temmen,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
gemachtigde mr. I.D. Vleeshouwers.

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2015 (hierna: het bestreden besluit), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), is de asielaanvraag van eiser afgewezen.
Op 10 augustus 2015 heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015. Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 2000 en de Algerijnse nationaliteit te bezitten. Op 29 juni 2015 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit deze aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), zoals dit luidt met ingang van 20 juli 2015.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- Eiser werd gepest vanwege zijn kleding en omdat hij geen ouders meer had;
- Eiser ondervond problemen vanwege drugsdealers die op zoek waren naar zijn vader;
- Eiser zag in Algerije geen goed toekomstperspectief voor zichzelf doordat hij niet naar school ging en geen vooruitzicht had op werk.
3. Verweerder heeft de bovenstaande elementen geloofwaardig geacht. Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de geloofwaardig geachte elementen niet te herleiden zijn tot een van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Voorts heeft eiser met zijn individuele relaas niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser komt voorts niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen nu opvang voor weeskinderen mogelijk is in Algerije. Eiser heeft hier eerder ook gebruik van gemaakt maar is op eigen gelegenheid vertrokken. Het is niet aannemelijk dat eiser niet opnieuw van deze opvangvoorzieningen gebruik zou kunnen maken, aldus verweerder.
4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat bescherming van de zijde van de Algerijnse autoriteiten niet geboden kan worden. Er is sprake van corruptie en eiser heeft geld nodig om aangifte te kunnen doen. Gelet op zijn herhaalde en pertinente ontkenning tijdens zijn gehoor dient nader onderzocht te worden of er toch geen sprake is geweest van seksueel misbruik dan wel dient nader onderzoek verricht te worden naar eisers seksuele geaardheid en psychische problematiek. De door eiser genoemde opvanglocatie (het weeshuis in Oran) is niet terug te vinden in openbare bronnen. Zonder nader onderzoek kan onder verwijzing naar een oud ambtsbericht uit 2005 niet aangenomen worden dat er opnieuw een opvangplek voor eiser beschikbaar is. Bij terugkeer is sprake van schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
De rechtbank overweegt als volgt.
5. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen Pro als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.
In artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag is gedefinieerd als vluchteling een persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren
Ingevolge artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden kan niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
De vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit een behandeling als bedoeld in voornoemde verdragsbepaling, komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Vw.
6. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de geloofwaardig geachte elementen niet te herleiden zijn tot een van de gronden van het Vluchtelingenverdrag en dat de genoemde redenen van vertrek onvoldoende zwaarwegend zijn voor een geslaagd beroep op artikel 3 van Pro het EVRM. Het feit dat eiser werd gepest is daartoe onvoldoende zwaarwegend. De problemen met de drugsdealers zijn voor eiser geen directe aanleiding voor zijn vertrek uit Algerije geweest en eiser heeft, nadat hij verhuisd was in Algerije, sinds 2012 of 2013 geen problemen meer gehad met deze groep. Voorts heeft eiser geen bescherming gevraagd bij de autoriteiten tegen deze personen en is niet aannemelijk geworden dat dit bij voorbaat geen zin heeft of voor eiser onmogelijk is. Dat eiser een slecht toekomstperspectief heeft in Algerije biedt ook geen grond voor het aannemen van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM.
7. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft kunnen overwegen dat eiser niet in aanmerking komt voor een ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 3.6a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Niet is gebleken dat van eiser als alleenstaande minderjarige niet verlangd kan worden dat hij terugkeert naar Algerije. Daarbij is van belang dat eiser, nadat eerst zijn moeder en vervolgens zijn oma overleden waren, in Algerije in een opvanglocatie voor weeskinderen heeft verbleven. Niet is gebleken dat eiser niet opnieuw naar deze of een andere opvanglocatie voor weeskinderen kan terugkeren dan wel dat de opvangvoorzieningen in Algerije niet beschikbaar of toereikend zouden zijn. De stelling van eiser dat hij zijn tijd grotendeels op straat heeft doorgebracht is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
8. Het beroep op artikel 3 van Pro het IVRK faalt eveneens. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling heeft artikel 3 van Pro het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van Pro het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit kader te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat voldoende rekening is gehouden met de belangen van eiser. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor is overwogen over de mogelijkheden voor eiser zich opnieuw tot de opvanglocatie voor weeskinderen te wenden waar hij eerder ook heeft verbleven.
9. Eiser heeft gezien het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.
10. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2015.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.