ECLI:NL:RBDHA:2015:10156
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.W. Ente
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens ernstige strafbare feiten en openbare orde
Eiser, Azerbeidzjaanse nationaliteit, kreeg een verblijfsvergunning in Nederland sinds 2007. Deze vergunning werd in 2014 met terugwerkende kracht ingetrokken vanwege een onherroepelijke veroordeling in België tot vijf jaar gevangenisstraf voor gewapende overvallen en deelname aan een criminele organisatie.
Eiser voerde in beroep aan dat de intrekking onterecht was omdat artikel 3.86 Vreemdelingenbesluit een kan-bepaling is en dat zijn familie- en gezinsleven in Nederland beschermd wordt door artikel 8 EVRM Pro. Tevens stelde hij dat hij onjuist geïnformeerd was over de verlenging van zijn vergunning en dat terugkeer onmogelijk is vanwege asielmotieven.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was, gelet op de ernst van de strafbare feiten en de toepassing van de glijdende schaal uit artikel 3.86 Vb 2000. De belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro wees uit dat het belang van de openbare orde zwaarder woog dan het familie- en gezinsleven van eiser. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.