Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
4.Bewijsoverwegingen
- De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat de identiteit van verdachte niet kan worden vastgesteld en dat de beschikking van de IND van 3 januari 2006 daarom niet kan dienen als bewijs dat verdachte als ongewenst vreemdeling in Nederland heeft verbleven, zodat vrijspraak moet volgen.
- Met betrekking tot feit 2 was volgens de raadsman geen sprake van een verdenking op basis waarvan de fouillering van verdachte mocht plaatsvinden. De verdovende middelen die door middel van de fouillering zijn gevonden, zijn derhalve onrechtmatig verkregen, zodat zij moeten worden uitgesloten van het bewijs.
- Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat slechts met betrekking tot één van de twee telefoons die verdachte in zijn bezit had, zich een kennisgeving van inbeslagneming in het dossier bevindt. De gegevens die zijn verkregen uit de telefoon waarvan de kennisgeving van inbeslagneming ontbreekt, zijn onrechtmatig verkregen, waardoor bewijsuitsluiting dient te volgen. Ten aanzien van de andere telefoon heeft de raadsman aangevoerd dat de daaruit verkregen gegevens moeten worden uitgesloten van het bewijs vanwege de hiervoor (onder 3.1.) weergegeven redenen.
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van de verdachte
7.De op te leggen straf en maatregel
twee jaarte bevinden in de Schilderwijk, het gebied waar de hierboven bewezen verklaarde handel in verdovende middelen plaatsvond, dit teneinde te voorkomen dat de verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten.
8.De toepasselijke wetsartikelen
9.De beslissing
20 (twintig) MAANDEN;
2 (twee) JARENniet zal ophouden in het gebied bestaande uit, en ingesloten door, de volgende straten: [Gebiedsverbod] ;
1 (één) WEEKvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan;