Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
getekend voor gezien”.
Rechtbank Den Haag
Eiser vordert de opheffing van een door Hoogvliet opgelegd winkelverbod, omdat hij betwist dat de opgegeven redenen voor het verbod juist zijn en stelt dat het verbod onrechtmatig is. Hoogvliet heeft het verbod ingesteld vanwege overlast en grensoverschrijdend gedrag van eiser jegens een caissière, waaronder stalking en laster, wat ook tot een aanhouding en inbewaringstelling heeft geleid.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang van eiser voldoende is en dat strafrechtelijke verwijtbaarheid niet vereist is voor het opleggen van een winkelverbod. Hoogvliet heeft aannemelijk gemaakt dat de gedragingen van eiser aanleiding waren voor het verbod. De omstandigheid dat de caissière niet langer werkzaam is, doet hieraan niet af.
De vordering van eiser wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten. Hoogvliet wordt niet in het gelijk gesteld in haar vordering tot vergoeding van volledige proceskosten wegens misbruik van procesrecht. De rechter-commissaris had aan eiser opgelegd zich aan het verbod te houden, maar dit sluit een civiele procedure niet uit.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het winkelverbod wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.