De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte, die werd verdacht van opruiing tot terroristische misdrijven en deelneming aan een criminele terroristische organisatie. Hoewel de rechtbank ernstige bezwaren tegen verdachte handhaaft, concludeert zij dat de noodzaak tot voortzetting van de voorlopige hechtenis vanwege maatschappelijke onrust niet langer aanwezig is.
Verdachte zit sinds augustus 2014 in voorlopige hechtenis op een afdeling met een zwaar regime. De rechtbank weegt het persoonlijke belang van verdachte om de uitspraak in vrijheid af te wachten tegen het strafvorderlijk belang. Gezien de duur en zwaarte van de detentie en het feit dat het risico op herhaling van strafbare feiten kan worden beperkt met strenge voorwaarden, besluit de rechtbank de voorlopige hechtenis te schorsen.
De schorsing gaat in op 22 september 2015 en geldt tot de uitspraak, voorlopig gepland op 3 december 2015. De rechtbank benadrukt dat haar oordeel voorlopig is en geen voorbarige strafoplegging inhoudt. De schorsing is verbonden aan meerdere voorwaarden, waaronder geen contact met medeverdachten, geen media-uitingen, verblijf binnen Nederland en medewerking aan nader onderzoek.