ECLI:NL:RBDHA:2015:11214
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep intrekking verblijfsvergunning asiel
Opposant had beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel en oplegging van een inreisverbod van tien jaar. De rechtbank had het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Opposant maakte bezwaar tegen deze beslissing via verzet.
Tijdens de zitting stelde opposant dat hij het besluit niet tijdig had ontvangen omdat het niet was verzonden naar zijn toenmalige gemachtigde. De rechtbank oordeelde dat verweerder correct had gehandeld door het besluit naar het GBA-adres van opposant te sturen, aangezien geen gemachtigde meer bekend was. Bovendien bleek opposant tijdig kennis te hebben genomen van het besluit, ondanks een vakantie in België.
De rechtbank overwoog dat hoewel de termijnoverschrijding in eerste instantie terecht werd vastgesteld, de omstandigheden rond het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro (verbod op terugkeer naar onveilige situatie) nader onderzocht moeten worden. Daarom werd het verzet gegrond verklaard, werd de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vernietigd en werd de procedure hervat. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van opposant.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring vervalt en de procedure wordt hervat.