Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De verdere procedure
- de beschikking van deze rechtbank, meervoudige familiekamer, van 11 mei 2015,
- de brief van de IND van 15 juni 2015,
- het op 21 augustus 2015 ingekomen aanvullend verzoekschrift.
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag heeft in een rekestprocedure geoordeeld over de vaststelling van het Nederlanderschap van drie minderjarige vreemdelingen die door hun Nederlandse vader op het Consulaat-Generaal van Brazilië in Rotterdam zijn erkend.
Eerder heeft de rechtbank in een tussenbeschikking vastgesteld dat deze erkenningen in Nederland voor erkenning vatbaar zijn en dat deze tussenbeschikking onherroepelijk is geworden. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) stelde zich op het standpunt dat de erkenningen niet rechtsgeldig waren, maar de rechtbank oordeelde dat zij niet op de onherroepelijke tussenbeschikking kan terugkomen.
De rechtbank overwoog dat de erkenningen als buitenlandse akten van de burgerlijke stand in Nederland erkend kunnen worden op grond van artikel 10:101 BW Pro. Omdat de vader ten tijde van de erkenningen de Nederlandse nationaliteit bezat, zijn de kinderen vanaf die erkenningsdata Nederlander volgens artikel 4 lid 1 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
De rechtbank verwierp het verweer van de IND dat het Nederlanderschap pas vanaf de tussenbeschikking van 11 mei 2015 zou zijn ontstaan en concludeerde dat het Nederlanderschap met terugwerkende kracht geldt. De uitspraak werd openbaar gedaan op 8 oktober 2015 door drie rechters.
Uitkomst: De rechtbank stelde vast dat de kinderen vanaf de erkenningsdata de Nederlandse nationaliteit bezitten.