Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het op 25 augustus 2014 ingekomen verzoekschrift,
- de brief van de IND van 9 juli 2015,
- de brief van de officier van justitie van 18 augustus 2015.
Rechtbank Den Haag
Verzoekster, geboren in 1946 in Suriname, vroeg de rechtbank vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit. Zij verkreeg bij geboorte de Nederlandse nationaliteit en nam in 2008 de Surinaamse nationaliteit aan. Verzoekster betoogde dat zij haar Nederlandse nationaliteit niet verloor omdat zij onder de uitzonderingen van artikel 15 lid 2 RWN Pro valt.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de officier van justitie sloten zich aan bij het verzoek. De rechtbank bevestigde dat verzoekster door de naturalisatie in Suriname haar Nederlandse nationaliteit niet verloor, omdat zij meerderjarig was, in Suriname geboren is, en daar haar hoofdverblijf had voor het bereiken van de meerderjarigheid.
De rechtbank verwees naar de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2015:1749) die bevestigt dat artikel 15 RWN Pro ook geldt voor nieuwe soevereine staten zoals Suriname. De rechtbank besloot het verzoek toe te wijzen en stelde vast dat verzoekster vanaf haar geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoekster haar Nederlandse nationaliteit behoudt ondanks het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit.