Eiseres had een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vervangen van haar woonark met een hoogte van 3,448 meter, later gewijzigd naar 3,80 meter. Verweerder verleende aanvankelijk een vergunning van rechtswege voor 3,448 meter, maar verklaarde het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en weigerde de vergunning voor 3,80 meter vanwege strijd met het bestemmingsplan.
Tijdens het beroep diende eiseres een nieuwe aanvraag in voor een woonark van 3,448 meter, waarop verweerder een vergunning verleende. De rechtbank oordeelde dat eiseres met deze nieuwe aanvraag afstand had gedaan van de eerdere aanvraag en daardoor geen belang meer had bij het beroep tegen het bestreden besluit.
Eiseres stelde dat haar nieuwe aanvraag subsidiair was en dat zij schade leed door de verplichting tot het bouwen van een damwand. De rechtbank verwierp dit omdat de nieuwe aanvraag niet onder voorbehoud was ingediend en verweerder aannam dat de damwand in elk geval nodig was, ongeacht de hoogte van de woonark.
De rechtbank concludeerde dat eiseres geen belang had bij inhoudelijke beoordeling van het beroep en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.