Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[verzoekster],
1.De procedure
- het op 17 juni 2015 ingekomen verzetschrift,
- het op 1 juli 2015 ingekomen verweerschrift.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
In deze zaak verzet de verzoekster zich tegen de hoogte van het door de griffier vastgestelde griffierecht van €1.909, dat zij heeft betaald in een bodemprocedure. Zij stelt dat het griffierecht lager had moeten zijn omdat de hoofdsom van de vordering onbepaald is en de buitengerechtelijke kosten van €3.500 slechts een nevenvordering zijn die niet mee zouden moeten tellen.
De griffier verdedigt de hoogte van het griffierecht en stelt dat de buitengerechtelijke kosten een geldvordering vormen die meetelt voor de bepaling van het griffierecht. De rechtbank overweegt dat volgens artikel 10 lid 1 Wgbz Pro de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de totale geldvordering, inclusief buitengerechtelijke kosten.
De rechtbank wijst het verzet af en bevestigt dat de griffier het juiste griffierecht in rekening heeft gebracht. De buitengerechtelijke kosten maken integraal deel uit van de geldvordering en beïnvloeden daarmee de hoogte van het griffierecht.
Uitkomst: Het verzet tegen de hoogte van het griffierecht wordt ongegrond verklaard en het geheven griffierecht bevestigd.