Uitspraak
Rechtbank den haag
1.[eiser sub 1] ,
[eiser sub 2] ,
Rechtbank Den Haag
In deze zaak vorderen eisers, waaronder een stichting, dat de Staat wordt bevolen strafrechtelijke vervolging in te stellen met betrekking tot strafbare feiten in de tulpenbollenkwestie, vanwege dreigende verjaring op 13 november 2015.
De feiten betreffen speculatieve handel in tulpenbollen rond 2003, leidend tot faillissementen van betrokken vennootschappen en diverse aangiften van strafbare feiten. Eerder werd besloten niet tot vervolging over te gaan, waartegen beklagprocedures lopen bij gerechtshoven Amsterdam en Den Haag. Eisers stellen dat de Staat onrechtmatig handelt indien niet tijdig vervolging wordt ingesteld.
De voorzieningenrechter oordeelt dat ondanks het spoedeisende belang, de vordering moet worden afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt welke strafbare gedragingen precies worden bedoeld, wie verdachten zijn, en welke bewijzen daarvoor bestaan. Ook is het feit dat eisers zelf de beklagprocedures hebben aangehouden wegens schikkingsonderhandelingen, een omstandigheid die hen kan worden tegengeworpen.
De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt eisers in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en op 10 november 2015 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vordering tot het bevel tot strafvervolging wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid en onvoldoende concrete onderbouwing.