ECLI:NL:RBDHA:2015:13629
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende terugkeeraannemelijkheid
Eisers, beiden Iraanse nationaliteit, vroegen in december 2014 een visum voor kort verblijf aan om een familielid in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvragen af omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en er redelijke twijfel bestond over het voornemen van eisers om tijdig terug te keren naar Iran.
Eisers voerden aan dat zij een sterke sociale en economische binding met Iran hebben, waaronder eigendom van woning en grond, een diploma en werk als architect en boer. Verweerder stelde daartegenover dat deze binding onvoldoende was onderbouwd en dat het bankafschrift met een hoog saldo niet relevant was vanwege de ex tunc beoordeling. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat eiseres voldoende maatschappelijke verplichtingen heeft om terugkeer te garanderen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom er redelijke twijfel bestaat over het terugkeer voornemen van eisers en dat de afwijzing op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode terecht is. De overige gronden voor afwijzing behoefden geen bespreking meer. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum voor kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van tijdige terugkeer.