De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot verklaring van rechtsvermoeden van overlijden van een vermiste persoon, ingediend door de echtgenote van de vermiste. De verzoekster, met Somalische nationaliteit, vluchtte in 2009 naar Nederland zonder de vermiste mee te nemen. Zij ontving informatie van haar moeder in Kenia dat de vermiste overleden zou zijn, ondersteund door een death notification van 10 april 2010.
De rechtbank stelde vast dat het bestaan van de vermiste onzeker is en dat de wettelijke termijn van vijf jaar, dan wel de verkorte termijn van één jaar bij vermoedelijk overlijden, was verstreken. De rechtbank oordeelde dat verzoekster als belanghebbende kon worden ontvangen in haar verzoek en dat het verzoek gegrond was.
De rechtbank beval de oproeping van de vermiste bij advertentie in Nederland, Somalië en de Nederlandse Staatscourant, met een termijn van drie maanden om te verschijnen. De uitspraak werd gedaan door drie rechters en griffier, en de zaak werd gepland voor een nadere terechtzitting op 7 december 2015.