ECLI:NL:RBDHA:2015:14676

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2015
Publicatiedatum
17 december 2015
Zaaknummer
VK-15/10247
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.W. Ente
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8 EVRMArt. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 32 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekking asielvergunning wegens schending onderzoeksplicht en onvoldoende gelegenheid tot aanvulling

Eiser, van Angolese nationaliteit, kreeg in 2009 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht tot 30 december 2010 in, op grond van terugkeer naar Angola en het bezit van een paspoort uit dat land.

Eiser voerde aan dat hij vanwege familieomstandigheden meerdere keren naar Angola reisde en stelde zich op het standpunt dat zijn gezinsleven in Nederland, met zijn partner en kind, bescherming verdient op grond van artikel 8 EVRM Pro. Tevens stelde hij dat verweerder zijn onderzoeksplicht had geschonden door geen nieuwe hoorzitting te plannen en geen termijn te stellen voor het aanleveren van bewijs.

De rechtbank oordeelde dat verweerder geen toezegging had gedaan tot een nieuwe hoorzitting en dat het bestreden besluit binnen de termijn werd genomen waarin eiser nog aanvullingen kon indienen. Hierdoor was de onderzoeksplicht geschonden en kreeg eiser onvoldoende gelegenheid tot aanvulling.

Hoewel de rechtbank erkent dat eiser meerdere keren naar Angola is teruggekeerd en in het bezit is van een Angolees paspoort, acht zij de intrekking van de vergunning op die grond gerechtvaardigd. Het beroep wordt desalniettemin gegrond verklaard wegens procedurele tekortkomingen en het besluit wordt vernietigd, met in stand laten van de rechtsgevolgen en veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de asielvergunning wordt vernietigd wegens schending van de onderzoeksplicht, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 15/10247
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 december 2015 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder,
gemachtigde: mr. L.J.T. van Es.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 april 2015, waarbij de verblijfsvergunning asiel is ingetrokken met terugwerkende kracht tot en met 30 december 2010.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2015. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig L.M. da Silva, tolk Portugees. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Angolese nationaliteit te bezitten. Eiser is op 25 mei 2001 Nederland ingereisd. Bij besluit van 10 oktober 2001 heeft verweerder eisers aanvraag van 29 mei 2001 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’, geldig van 29 mei 2001 tot 29 mei 2002. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Alkmaar, heeft bij uitspraak van 24 oktober 2002 (Awb 01/57817) het tegen verweerders besluit tot afwijzing van de asielaanvraag ingestelde beroep ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend zodat het besluit van 10 oktober 2001 in rechte vast staat.
Verweerder heeft bij besluit van 3 december 2004 de aanvraag van eiser tot wijziging en verlenging van voornoemde reguliere verblijfsvergunning in de beperking ‘voortgezet verblijf’ afgewezen. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht, heeft bij uitspraak van 20 februari 2007 (Awb 05/37849) het ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Op 23 februari 2009 heeft eiser een opvolgende aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft eiser bij besluit van 8 juni 2009 op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, van de destijds geldende Vreemdelingenwet 2000 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met ingang van 23 februari 2009, geldig tot 23 februari 2014, laatstelijk verlengd tot 23 februari 2019.
2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de verblijfsvergunning asiel van eiser met terugwerkende kracht tot en met 30 december 2010 ingetrokken. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de grond voor vergunningverlening is komen te vervallen. Op grond van informatie van de Belgische luchtvaartpolitie is gebleken dat eiser op 30 december 2010 en in februari 2013, november en december 2014 is teruggekeerd naar zijn land van herkomst. Bovendien is eiser in 2013 door de autoriteiten van zijn land van herkomst in het bezit gesteld van een op zijn eigen naam gesteld paspoort. Verweerder ziet geen aanleiding om eiser op één van de overige gronden van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen noch om ambtshalve op grond van artikel 8 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen.
3. Eiser heeft aangevoerd dat hij vanwege dringende familieaangelegenheden (gesteld overlijden van oom en nichtje) zich genoodzaakt zag meermaals naar Angola te reizen. Daarnaast beroept hij zich op artikel 8 van Pro het EVRM. Eiser stelt al vanaf 2008 een relatie te hebben met zijn oorspronkelijk uit Zaïre afkomstige, inmiddels de Nederlandse nationaliteit bezittende, partner [naam]. Hij oefent gezinsleven uit met haar en hun dochter [naam], geboren op [geboortedatum], die eveneens de Nederlandse nationaliteit heeft. Eiser en zijn partner wonen noodgedwongen gescheiden - ze huren ieder voor zich een kamer/eigen woonruimte - maar ze dragen gezamenlijk de zorg voor hun kind. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn relaas de geboorteakte, de akte van erkenning en het uittreksel uit het gezagsregister, waaruit blijkt dat eiser en zijn partner gezamenlijk het gezag hebben over hun kind, overgelegd. Eiser stelt verder via [naam werkgever] te Rotterdam werk te hebben als belader en door de week dagelijks vanaf 16.00 uur tot 21.00 uur voor zijn dochter te zorgen, omdat zijn partner dan werkt. De weekeinden brengen zij met zijn drieën door.
Volgens eiser heeft verweerder na het intrekkingsgehoor van 7 april 2015, waar alleen de gemachtigde van eiser is verschenen, in strijd met zijn onderzoeksplicht gehandeld door na te laten een termijn te stellen voor het alsnog overleggen van de tijdens het gehoor besproken bewijsstukken dan wel een nieuwe hoorzitting te plannen. Voorts heeft hij gesteld dat hij nog steeds wacht op de legalisering van de overlijdensaktes van zijn oom en nichtje. Deze aktes liggen op de Nederlandse ambassade in Luanda.
De rechtbank overweegt als volgt.
4. In artikel 29 van Pro de Vw staat vermeld op welke gronden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend.
Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw is verweerder bevoegd een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te trekken, dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan af te wijzen, indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29 van Pro de Vw, is komen te vervallen.
5. In geschil is allereerst of verweerder eiser nader had moeten horen en/of hem alsnog in de gelegenheid stellen nadere informatie en bewijsstukken omtrent zijn gezinsleven en zijn bezoeken aan Angola te overleggen. De rechtbank stelt vast dat verweerder, anders dan eiser meent, geen toezegging heeft gedaan een nieuwe hoorzitting te houden. Dit valt naar het oordeel van de rechtbank niet te lezen in de van het op 7 april gehouden intrekkingsgehoor gemaakte rapport met inbegrip van de aan het slot opgenomen passage onder “Opmerking rapporteur”.
Uit de door verweerder overgelegde gedingstukken blijkt echter dat eiser voor het indienen van correcties en aanvullingen op het intrekkingsgehoor een termijn is gegund van twee weken, te rekenen vanaf 20 april 2015. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit reeds op 24 april 2015 is genomen, derhalve binnen de termijn waarin eiser nog in de gelegenheid was correcties en aanvullingen op het intrekkingsgehoor aan te leveren. Daaronder valt mede te verstaan nadere informatie en bewijsstukken over het gestelde familieleven.
Naar het oordeel van de rechtbank is aan eiser dan ook onvoldoende gelegenheid gegeven correcties en aanvullende informatie op het intrekkingsgehoor aan te leveren. Daaraan doet niet af dat eiser al vanaf 23 januari 2015 wist van het voornemen tot intrekking van zijn asielvergunning. Verweerder heeft daarmee in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld.
6. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens schending van artikel 3:2 van Pro de Awb met veroordeling van verweerder in de door eiser gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 980 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).
7. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, nu nader onderzoek niet van invloed kan zijn op de beantwoording van de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de grond voor verlening aan eiser van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is komen te vervallen
.
8. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat tussen partijen niet in geding is dat eiser in het bezit is van een op zijn naam gesteld Angolees paspoort, afgegeven te Luanda (Angola) op 31 januari 2013. Eiser heeft dit paspoort zelf aangevraagd en verkregen in zijn land van herkomst. Dit gegeven, bezien in samenhang met de aan Angola gebrachte bezoeken in december 2010, februari 2013, november en december 2014, betekent dat eiser niet langer geacht wordt bescherming tegen terugkeer naar zijn land van herkomst nodig te hebben. Gelet daarop heeft verweerder met recht overwogen dat intrekking van de verblijfsvergunning asiel van eiser reeds hierom gerechtvaardigd is. Nu de bij eiser aangetroffen boardingpass voor het traject Luanda – Brussel van 30 december 2010 op zijn naam is gesteld en eiser hier geen steekhoudende verklaring voor heeft gegeven, heeft verweerder terecht de asielvergunning van eiser met ingang van 30 december 2010 ingetrokken.
9. Met betrekking tot het beroep van eiser op artikel 8 van Pro het EVRM overweegt de rechtbank als volgt.
Vast staat dat eiser en zijn partner niet samenwonen. Zelfs in het geval eiser alsnog zou aantonen dat hij zonder met zijn partner en kind samen te wonen toch in voldoende mate invulling geeft aan het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, brengt dat niet met zich mee dat inmenging in de uitoefening van het recht op familie- of gezinsleven niet langer gerechtvaardigd zou zijn. Daarbij is niet alleen van belang dat eiser een relatie is aangegaan, terwijl hij slechts in het bezit was van een asielvergunning voor bepaalde tijd die naar haar aard tijdelijk is, maar ook dat hij meermaals is teruggekeerd naar zijn land van herkomst in de tijd dat hij in Nederland een - tijdelijke - asielvergunning had.
10. Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat er geen sprake is van een objectieve belemmering het familie-, gezins- of privéleven buiten Nederland uit te oefenen. Nu de partner en het kind van eiser de Nederlandse nationaliteit hebben, kunnen zij er voor kiezen in Nederland te blijven. Het kind van eiser is bovendien nog zeer jong, zodat zij reeds hierom nog niet in Nederland geworteld is en geacht moet via haar vader banden te hebben met zijn land van herkomst. Het staat aan eiser overigens vrij een verblijfsvergunning met het doel “ verblijf bij partner en kind in Nederland” aan te vragen.
11. De omstandigheid dat eiser geruime tijd in Nederland heeft gewoond - vanaf 25 mei 2001 - doet niet af aan het feit dat hij de eerste 14 jaar van zijn leven in Angola heeft gewoond en als volwassene zonder problemen in de periode van eind 2010 tot en met februari 2014 een paar keer in zijn land van herkomst is geweest. Verweerder heeft onder deze omstandigheden mogen overwegen dat afweging van het persoonlijk belang van eiser tegen het algemeen belang van de Nederlandse staat in het nadeel van eiser uitvalt.
12. Gelet op al het vorenstaande is er geen sprake van strijd met het recht op familie- en gezinsleven en het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 980,- (negenhonderdtachtig) te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2015.
De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.