ECLI:NL:RBDHA:2015:15478
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen tenuitvoerlegging vervangende jeugddetentie ongegrond verklaard
De veroordeelde werd in 2011 door het gerechtshof veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen voor feiten gepleegd in 2010. In 2012 werd deze straf omgezet in een werkstraf van 120 uur met de voorwaarde dat bij niet-nakoming de jeugddetentie alsnog zou worden uitgevoerd. Na meerdere kansen om de werkstraf te volbrengen, waarbij de veroordeelde niet is verschenen en niet heeft meegewerkt, besloot het Openbaar Ministerie in 2015 tot tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie.
De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze beslissing en verzocht om nog een laatste kans om de werkstraf te verrichten. Tijdens de zitting verklaarde hij gemotiveerd te zijn en gaf hij persoonlijke omstandigheden op zoals een sterfgeval in de familie, ADHD en PTSS als redenen voor het niet nakomen van afspraken. De rechtbank hoorde ook een getuige-deskundige van de Raad voor de Kinderbescherming.
De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde geen blijk had gegeven van inzet om de werkstraf te verrichten en dat de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming de mislukking van de taakstraf bevestigde. Tevens concludeerde de rechtbank dat de inzet van de veroordeelde heeft geleid tot een uitbreiding van zijn strafblad. Het bezwaarschrift werd daarom ongegrond verklaard en de tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie werd bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie wordt ongegrond verklaard.