Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 december 2015 in de zaak tussen
[verzoeker]
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
VK
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, een Turkse zelfstandige, vroeg een reguliere verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige bij een vennootschap onder firma. Verweerder wees de aanvraag af omdat verzoeker niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en het ondernemingsplan onvoldoende was onderbouwd met objectieve financiële gegevens.
Verzoeker diende op het laatste moment, twee dagen voor de zitting, nog 94 pagina’s aan aanvullende stukken in. De voorzieningenrechter oordeelde dat deze late indiening in strijd was met de goede procesorde, omdat de omvang en het tijdstip een zinvolle bespreking ter zitting onmogelijk maakten. Daarom werden deze stukken buiten beschouwing gelaten.
De rechtbank stelde vast dat verweerder terecht geen advies had gevraagd aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland vanwege het ontbreken van voldoende objectieve financiële onderbouwing. Verzoekers beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat hij niet aannemelijk maakte dat vergelijkbare gevallen gelijk waren.
Gelet op deze omstandigheden zal het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar standhouden. De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en kende geen proceskosten toe.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.