ECLI:NL:RBDHA:2015:15884

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 oktober 2015
Publicatiedatum
11 februari 2016
Zaaknummer
AWB 14/22829 & 14/18490 Einduitspraak
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 7:12 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing opschorting vertrek wegens onvoldoende medisch advies

Eiseres, van Armeense nationaliteit, verzocht om opschorting van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris wees dit verzoek bij besluit van 7 augustus 2014 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 3 oktober 2014. Eiseres stelde beroep in tegen dit bestreden besluit.

De rechtbank deed op 11 augustus 2015 een tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat de behandelaars van eiseres voldoende hadden geconcretiseerd dat haar angst voor behandelaars in Armenië een effectieve voortzetting van behandeling in het land van herkomst belemmert. De rechtbank gaf de staatssecretaris de gelegenheid om het gebrek in het medisch advies te herstellen door het Bureau Medische Advisering (BMA) om een nader advies te vragen.

De staatssecretaris gaf aan dit te zullen doen, maar informeerde de rechtbank niet binnen de gestelde termijn over de wijze van herstel van het gebrek. Hierdoor ontbrak een deugdelijke motivering in het bestreden besluit. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en droeg op tot een nieuw besluit met inachtneming van de eerdere overwegingen en het advies van het BMA.

Daarnaast werd een voorlopige voorziening getroffen die de uitzetting van eiseres verbiedt tot vier weken na het nieuwe besluit. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de staatssecretaris wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met aanvullend medisch advies.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 14/22829
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 19 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , van Armeense nationaliteit,
eiseres, verzoekster
hierna te noemen eiseres,
(gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. Sidler, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)).

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om opschorting van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 3 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft op 11 augustus 2015 een tussenuitspraak gedaan, waarin verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid is gesteld het in die uitspraak geconstateerde gebrek te herstellen.
Verweerder heeft bij brief van 25 augustus 2015 bericht dat hij van de gelegenheid tot herstel van het gebrek gebruik zal maken en daartoe een nieuw medisch advies zal vragen aan het Bureau Medische Advisering van de IND (BMA).
Verweerder heeft niet binnen de in de tussenuitspraak aan hem geboden termijn van zes weken na verzending van de tussenuitspraak aan de rechtbank bericht op welke wijze het gebrek is hersteld. Verweerder heeft evenmin voor afloop van voornoemde termijn een gemotiveerd verzoek gedaan tot verlenging van deze termijn.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder b, Awb bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 2 oktober 2015 gesloten.

Overwegingen1. Hoewel verweerder bij brief van 25 augustus 2015 heeft meegedeeld aanleiding te zien om het geconstateerde gebrek te herstellen, heeft verweerder niet binnen de hem in de tussenuitspraak gegeven termijn aan de rechtbank bericht op welke wijze het gebrek is hersteld. Derhalve ontbeert het bestreden besluit, gelet op hetgeen is overwogen in de in kopie aangehechte tussenuitspraak van 11 augustus 2015, een deugdelijke motivering. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak, gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 Awb Pro.

2. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, nu verweerder het gebrek in het besluit niet heeft hersteld en verweerder, gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak, gehouden is het BMA om een nader advies te vragen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak en de tussenuitspraak van 11 augustus 2015.
3. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, vervalt over vier weken de door de voorzieningenrechter bij de tussenuitspraak van 11 augustus 2015 getroffen voorlopige voorziening. Gelet op hetgeen de voorzieningenrechter heeft overwogen in die uitspraak (rechtsoverweging 6), ziet de rechtbank thans aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, Awb een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank zal verweerder verbieden eiseres uit te zetten tot vier weken nadat verweerder een nieuw besluit heeft genomen op het bezwaar van eiseres.
4. Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb draagt de rechtbank verweerder op het betaalde griffierecht te vergoeden.
5. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte kosten. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 490,- (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1; voor het verschijnen ter zitting heeft de voorzieningenrechter in voornoemde uitspraak van 11 augustus 2015 reeds een kostenveroordeling uitgesproken).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak van 11 augustus 2015;
- verbiedt verweerder eiseres uit te zetten tot vier weken nadat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres heeft genomen;
- draagt verweerder op € 165,- te betalen aan eiseres als vergoeding voor het betaalde griffierecht;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 490,- te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Boland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2015.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:

RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.