ECLI:NL:RBDHA:2015:15953

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 december 2015
Publicatiedatum
1 maart 2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6555
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 lid 3 AKW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling recht op kinderbijslag met terugwerkende kracht en verzoek tot herroeping eerdere besluiten

Eiseres heeft kinderbijslag aangevraagd met ingang van het tweede kwartaal 2014, maar haar aanvragen voor het tweede en derde kwartaal 2014 werden door verweerder afgewezen. Bij het primaire besluit van januari 2015 werd kinderbijslag toegekend vanaf het eerste kwartaal 2015. Eiseres maakte bezwaar en verweerder wijzigde dit tot toekenning vanaf het vierde kwartaal 2014.

Eiseres stelde in beroep dat het recht op kinderbijslag eerder had moeten ingaan, namelijk vanaf het tweede kwartaal 2014. De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 14 lid 3 AKW Pro het recht op kinderbijslag niet verder terug kan gaan dan één jaar voorafgaand aan de aanvraag, en dat eerdere afwijzende besluiten die in rechte vaststaan niet zonder meer terzijde kunnen worden geschoven.

Verder verklaart de rechtbank zich onbevoegd om te beslissen over het verzoek om terug te komen op de eerdere besluiten van mei en september 2014, omdat dit verzoek pas in het bezwaarschrift is gesteld en het onderdeel van het bestreden besluit dat dit afwijst als een primair besluit moet worden aangemerkt. Dit deel wordt doorgezonden naar verweerder ter behandeling als bezwaarschrift.

Het beroep wordt ongegrond verklaard voor zover het ziet op de toekenning van kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal 2014. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard voor de toekenning vanaf het vierde kwartaal 2014 en de rechtbank verklaart zich onbevoegd over het verzoek tot herroeping van eerdere besluiten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 15/6555

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 december 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. R.G. Groen),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder

(gemachtigde: W. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres kinderbijslag krachtens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toegekend vanaf het eerste kwartaal van 2015.
Bij besluit van 30 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat kinderbijslag wordt toegekend vanaf het vierde kwartaal van 2014.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2015.
Eiseres is, met voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eisers is op 19 maart 2014 met haar drie kinderen vanuit Curaçao naar Nederland gekomen. Op 17 april 2014 heeft zij kinderbijslag aangevraagd met ingang van het tweede kwartaal van 2014. Deze aanvraag is bij beschikking van 30 mei 2014 afgewezen. Bij aanvraag van 25 juli 2014 heeft zij een nieuwe aanvraag ingediend voor kinderbijslag. Deze aanvraag is bij besluit van 30 september 2014 afgewezen. Daarbij is door verweerder geweigerd haar vanaf het derde kwartaal van 2014 kinderbijslag toe te kennen. Op 1 december 2014 heeft eiseres onderhavige aanvraag ingediend. Bij het primaire besluit is aan eiseres kinderbijslag toegekend vanaf het eerste kwartaal van 2015.
2. In het bezwaarschrift heeft eiseres aangegeven het niet eens te zijn met deze beslissing omdat zij van mening is dat zij recht heeft op kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2014.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard omdat het vierde kwartaal van 2014 ten onrechte niet in de beoordeling van de aanvraag was betrokken. Aan eiseres is kinderbijslag toegekend vanaf het vierde kwartaal van 2014. Naar aanleiding van het bezwaar heeft verweerder de aanvraag mede aangemerkt als een verzoek om terug te komen op de eerdere besluiten van 30 mei 2014 en 30 september 2014. Dit verzoek heeft verweerder afgewezen omdat deze besluiten niet onmiskenbaar onjuist zijn.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. Ingevolge artikel 14, derde lid, van de AKW kan het recht op kinderbijslag niet vroeger ingaan dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag werd ingediend.
6. Eiseres heeft met de aanvraag van 1 december 2014 wederom kinderbijslag aangevraagd. In beroep heeft zij zich op het standpunt gesteld dat met toepassing van het hiervoor onder 5 genoemde artikel, het recht op kinderbijslag moet ingaan vanaf het tweede kwartaal van 2014, aangezien zij ook toen al aan alle vereisten voldeed. De rechtbank is van oordeel dat de bedoelde bevoegdheid van verweerder om kinderbijslag toe te kennen met terugwerkende kracht van ten hoogste een jaar, niet zover strekt dat daarmee afwijzende besluiten van verweerder over eerdere kwartalen, welke besluiten in rechte vaststaan, in deze procedure zonder meer terzijde kunnen worden geschoven. Nu inzake het recht op kinderbijslag over het tweede en het derde kwartaal van 2014 reeds besluiten zijn genomen door verweerder en deze besluiten in deze procedure niet in geding zijn, kan de toekenning die thans voorligt niet verder teruggaan dan het vierde kwartaal van 2014. Reeds hierom kan de stelling van eiseres dat verweerder het recht op kinderbijslag in het bestreden besluit eerder had moeten laten ingaan, niet slagen.
7. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de aanvraag tevens moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen op de eerdere besluiten van 30 mei 2014 en 30 september 2014. De rechtbank is evenwel van oordeel dat een dergelijk verzoek niet blijkt uit de ingediende aanvraag. Verweerder is in het primaire besluit van 21 januari 2015 dan ook terecht niet op dit aspect ingegaan. Eerst in het bezwaarschrift tegen laatstgenoemd besluit heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat teruggekomen moet worden van de eerdere in rechte vaststaande besluiten. Het onderdeel van het bestreden besluit dat ziet op de afwijzing van het in het bezwaarschrift gedane verzoek om terug te komen op de eerdere afwijzende besluiten, moet dan ook aangemerkt worden als een primair besluit waartegen bezwaar gemaakt kon worden. Gelet hierop zal de rechtbank het beroepschrift, voor zover dit zich richt tegen dit onderdeel van het bestreden besluit, doorzenden aan verweerder ter behandeling als bezwaarschrift, nu zij onbevoegd is dit deel van het beroepschrift, dat als bezwaarschrift moet worden aangemerkt, te beoordelen.
8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond voor zover het ziet op de toekenning van het recht op kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal van 2014. Voor zover het beroep ziet op de afwijzing van het verzoek om terug te komen op de in rechte vaststaande besluiten van 30 mei 2014 en 30 september 2014 zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren hierop te beslissen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond voor zover gericht tegen de toekenning van het recht op kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal van 2014;
- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep is gericht tegen de weigering terug te komen op de in rechte vaststaande besluiten van 30 mei 2014 en 30 september 2014.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.