ECLI:NL:RBDHA:2015:15986
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod aan langdurig verblijvende vreemdeling
Eiser, een Marokkaanse vreemdeling die sinds 1978 in Nederland verblijft, kreeg zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken en een inreisverbod van tien jaar opgelegd vanwege meerdere veroordelingen tot lange gevangenisstraffen. Het geschil betreft onder meer een verblijfsgat tussen maart en november 1995 en de toepassing van overgangsrecht bij de intrekking.
De rechtbank oordeelt dat het verblijfsgat terecht in aanmerking is genomen en dat eiser zich bewust had moeten zijn van de noodzaak tot het aanvragen van een zelfstandige verblijfsvergunning bij meerderjarigheid. De intrekking is gegrond op artikel 22, tweede lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 en de glijdende schaal van artikel 3.86 Vreemdelingenbesluit 2000, waarbij de opgelegde gevangenisstraffen de norm ruimschoots overschrijden.
De belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro leidt tot het oordeel dat het algemeen belang bij het opleggen van het inreisverbod zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser, mede gelet op zijn beperkte sociale inbedding en ernstige strafrechtelijke verleden. De rechtbank vindt geen schending van de hoorplicht en verklaart het beroep tegen de intrekking niet-ontvankelijk en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.