Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2015
[eiseres],
de Minister van Buitenlandse Zaken,
Het procesverloop
7 oktober 2014. Eiseres is aldaar vertegenwoordig door haar gemachtigde. Voorts is referent verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door
mr. A. Wildeboer.
De beoordeling
29 oktober 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft hiertegen op 6 november 2013 beroep ingesteld, welk beroep zij bij schrijven van 27 november 2013 heeft ingetrokken. Het besluit van 29 oktober 2013 is derhalve in rechte onaantastbaar.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het onder rechtsoverweging 1 weergegeven beoordelingskader, gelet op artikel 21, negende lid van de Verordening 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (hierna: de Visumcode), van toepassing is.
Ingevolge artikel 21, negende lid, van de Visumcode leidt een eerdere visumweigering niet automatisch tot een weigering van een nieuwe aanvraag. Een nieuwe aanvraag wordt beoordeeld op basis van alle beschikbare informatie.
12 augustus 2009, gedurende twaalf maanden, maandelijks een bedrag van 100.000 LKR (omgerekend € 593) op één van deze twee rekeningen is gestort. Daarnaast heeft eiseres een bankafschrift van de Bank of Ceylon van 3 februari 2014 overgelegd, op welke rekening op 31 januari 2014 een saldo van 448.222 LKR (omgerekend € 2.508) stond. Voorts heeft eiseres een overzicht van de bij- en afschrijven van deze rekening overgelegd. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat referent kosteloos een verblijfplaats in Nederland ter beschikking stelt.
Ten aanzien van het reisdoel en de uiteindelijke verblijfsduur heeft eiseres opgemerkt dat zij sterke economische en sociale banden heeft met Sri Lanka. Zij werkt al sinds 1989 als lerares en woont in Sri Lanka samen met haar moeder. Bovendien is zij eigenaar van het huis en de grond van haar familie in[plaatsnaam]. Ter onderbouwing heeft eiseres een eigendomsakte van 3 februari 2014 overgelegd.
De rechtbank stelt vast dat referent zich ook tijdens de vorige procedure garant heeft gesteld. In de vorige procedure is overwogen dat referent niet over zelfstandig verworven middelen van bestaan beschikt om zich garant te stellen, nu hij een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand ontvangt. Blijkens de door eiser overgelegde stukken is dit nog steeds het geval, zodat hetgeen eiseres hieromtrent heeft aangevoerd en overgelegd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.