ECLI:NL:RBDHA:2015:1755
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontheffing van het ouderlijk gezag wegens ongeschiktheid moeder en benoeming voogd
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om de moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over haar twee minderjarige kinderen, omdat zij niet in staat is de basale verzorging en veiligheid te bieden. Sinds juni 2012 zijn de kinderen onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst, met verlengingen tot juni 2015. De moeder heeft onvoldoende voldaan aan voorwaarden voor terugplaatsing en is onbetrouwbaar gebleken in het nakomen van afspraken.
De moeder voerde verweer en stelde dat zij bereid is mee te werken aan terugplaatsing en dat er onvoldoende ruimte en ondersteuning is geboden. Zij erkent emotionele moeilijkheden, maar benadrukt dat de kinderen niet onthecht zijn en dat bezoekregeling mogelijk was. De rechtbank oordeelt echter dat de moeder ongeschikt is en dat het belang van de kinderen vraagt om duidelijkheid en rust, zodat zij een veilige hechtingsrelatie met de pleegouders kunnen ontwikkelen.
De rechtbank stelt vast dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing langer duren dan wettelijk toegestaan en dat terugplaatsing niet realistisch is. De moeder is vaak onbereikbaar en handelt niet in het belang van de kinderen. Daarom wordt de ontheffing van het gezag toegewezen en wordt de Jeugd- en Gezinsbeschermers benoemd tot voogd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het bezoek van de moeder aan de kinderen zal zo spoedig mogelijk worden hervat.
Uitkomst: De moeder wordt ontheven van het ouderlijk gezag en de Jeugd- en Gezinsbeschermers wordt benoemd tot voogd.