Uitspraak
Afwijzing ondertoezichtstelling
Procedure
Verzoek en verweer
Beoordeling
Beslissing
drie maandenna de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.
Rechtbank Den Haag
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om een ondertoezichtstelling van een minderjarige die feitelijk bij zijn moeder in het buitenland verblijft. De minderjarige en zijn broer zijn door de vader uitgeschreven van school en de basisregistratie in Nederland, terwijl de oudste broer bij de vader in Nederland blijft.
De Raad maakte zich zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van de minderjarige, mede door eerdere zorgelijke uitlatingen van de minderjarige zelf. Deze uitlatingen werden echter betwist door de ouders en andere betrokkenen, en konden niet worden bevestigd. Het vertrek naar het buitenland en het gebrek aan contact met de minderjarige en zijn moeder maakten het lastig om de thuissituatie te beoordelen.
De vader voerde verweer dat de kinderrechter niet bevoegd zou zijn en dat uitvoering van ondertoezichtstelling in het buitenland niet mogelijk is. De kinderrechter oordeelde dat zij wel bevoegd is omdat de minderjarige ten tijde van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. De gronden voor ondertoezichtstelling waren echter onvoldoende aanwezig.
De kinderrechter erkende de zorgen, maar stelde dat vanwege het verblijf in het buitenland en het ontbreken van zicht op de thuissituatie het verzoek moest worden afgewezen. Indien de minderjarige terugkeert naar Nederland, kan de Raad via de school zorgsignalen ontvangen. De vader wordt geacht zorg te dragen voor het welzijn van de minderjarige in het buitenland.
Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt afgewezen vanwege onvoldoende gronden en het feitelijke verblijf van de minderjarige in het buitenland.