Uitspraak
Rechtbank den haag
1.[A],
[B],
Rechtbank Den Haag
Eisers, huurders van een woning, vorderen in kort geding dat de verhuurder wordt veroordeeld de geplande ontruiming van hun woning op te schorten. De huurovereenkomst was eerder ontbonden bij verstekvonnis van oktober 2012, met een veroordeling tot ontruiming en betaling van huurachterstand. Diverse ontruimingen werden aangekondigd maar telkens uitgesteld vanwege betalingsregelingen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep op rechtsverwerking niet slaagt, omdat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die een gerechtvaardigd vertrouwen wekken dat de verhuurder haar recht niet meer zou uitoefenen. Ook is geen sprake van een feitelijke of juridische misslag in het vonnis of een noodtoestand die onmiddellijke ontruiming onaanvaardbaar maakt.
Hoewel de eisers een sterk verbeterde inkomenspositie verwachten en de belangen van hun minderjarige kinderen aanvoeren, is dit onvoldoende aannemelijk gemaakt. De verhuurder heeft ruim twee jaar de ontruiming uitgesteld en betalingsregelingen getroffen, maar de huurachterstand is verder opgelopen. De belangen van de kinderen wegen niet zwaarder dan het recht van de verhuurder tot uitvoering van het vonnis.
Daarom wordt het verzoek tot opschorting afgewezen en worden eisers veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot opschorting van de ontruiming wordt afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten.