ECLI:NL:RBDHA:2015:2297
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsvergunning langdurig verblijvende kinderen
Verzoekers, bestaande uit een gezin met minderjarige kinderen, hebben een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van de definitieve regeling voor langdurig in Nederland verblijvende kinderen. De staatssecretaris heeft deze aanvragen afgewezen omdat verzoekers niet voldeden aan de voorwaarde van medewerking aan terugkeer naar het land van herkomst. Verzoekers maakten bezwaar tegen deze besluiten en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder zich terecht heeft gebaseerd op de door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) verstrekte terugkeerinformatie, waaruit blijkt dat verzoekers niet hebben meegewerkt aan terugkeer. Ondanks het feit dat verzoekers tweemaal niet op vertrekgesprekken zijn verschenen en hebben verklaard niet te willen terugkeren, is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat het bestreden besluit kennelijk rechtmatig is.
Verzoekers voerden ook aan dat het besluit in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro, maar dit betoog faalde omdat de langdurige verblijfsduur en sociale bindingen onvoldoende waren om verblijf toe te staan, mede gelet op eerdere jurisprudentie. De voorzieningenrechter concludeerde dat geen aanleiding bestaat voor een belangenafweging en wees het verzoek af. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van verblijfsvergunningen wordt afgewezen wegens kennelijke rechtmatigheid van het besluit.