ECLI:NL:RBDHA:2015:2557
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onrechtmatige aanhouding en onvoldoende belangenafweging
Eiser werd op 13 februari 2015 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat zijn aanhouding onrechtmatig was, omdat er geen geldige reden was voor zijn identiteitsonderzoek en er geen vermoeden van illegaal verblijf bestond. De rechter-commissaris had de aanhouding en inverzekeringstelling onrechtmatig geoordeeld. Verweerder kon ter zitting geen standpunt innemen over de belangenafweging en verwees naar de gronden van de maatregel.
De rechtbank stelde vast dat de gronden van bewaring niet zagen op openbare orde, behalve de ongewenstverklaring uit 2002, die echter nooit tot uitzetting had geleid. De rechtbank oordeelde dat het belang van eiser zwaarder woog dan dat van verweerder, mede vanwege het ernstige gebrek in het voortraject en de onvoldoende belangenafweging door verweerder.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval onmiddellijke opheffing van de bewaring, kende een schadevergoeding toe van €1.675 aan eiser voor de onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde verweerder in de proceskosten van €980. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Beroep gegrond verklaard, bewaring onmiddellijk opgeheven en schadevergoeding toegekend.