Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2015 in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer [nummer]
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
ontvankelijk;
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Rwandees met verblijfsvergunning asiel in Nederland, werd geconfronteerd met intrekking van zijn vergunning en oplegging van een tienjarig inreisverbod vanwege ernstige redenen te veronderstellen betrokkenheid bij de genocide op Tutsi's in 1994. De rechtbank toetste het individueel ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken waarin werd geconcludeerd dat eiser actief lid was van de MDR-Power en nauwe samenwerking onderhield met zijn broer, Frodouald Karamira, een veroordeelde en geëxecuteerde oprichter van MDR-Power die opriep tot moord op Tutsi's.
Eiser betwistte de juistheid van het ambtsbericht en voerde aan dat hij slechts lid was van de MDR, niet van MDR-Power, en ontkende betrokkenheid bij de genocide en de haatzaaiende radiozender RTLM. Hij bracht getuigenverklaringen in die hem vrijspraken en stelde dat hij een reëel risico liep op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer. De rechtbank oordeelde dat het ambtsbericht zorgvuldig en betrouwbaar tot stand was gekomen, dat eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten tot twijfel had aangevoerd en dat zijn eigen verklaringen niet objectief waren.
De rechtbank stelde vast dat de gedragingen in het ambtsbericht kwalificeren als misdrijven onder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en bevestigde dat eiser zich schuldig had gemaakt aan voorbereidingen en uitvoering van de genocide. Het beroep tegen intrekking van de verblijfsvergunning werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het inreisverbod. Het beroep tegen het inreisverbod werd ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank ook oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het inreisverbod in strijd was met artikel 3 of Pro 8 EVRM.
De rechtbank wees verzoeken om aanvullende getuigenverhoren af wegens gebrek aan toegevoegde waarde en bevestigde het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning en oplegging van het inreisverbod voor tien jaar.
Uitkomst: Het beroep tegen intrekking verblijfsvergunning is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het inreisverbod van tien jaar is ongegrond verklaard.