ECLI:NL:RBDHA:2015:3362
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot eenhoofdig gezag afgewezen wegens schorsing vaderlijk gezag
De moeder verzocht de rechtbank om het gezamenlijk gezag over haar minderjarige kind te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. Zij stelde dat de vader, die geen bekende verblijfplaats heeft en geen contact onderhoudt, zijn gezagsrechten niet uitoefent en dat hij de minderjarige heeft mishandeld. De vader was niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 1:253q en 1:253r BW het gezag van een ouder die afwezig is of onbekend verblijft van rechtswege wordt geschorst, waardoor de andere ouder het gezag alleen kan uitoefenen. De vader is sinds september 2013 met onbekende bestemming vertrokken, waardoor zijn gezag feitelijk is geschorst en de moeder zelfstandig gezagsbeslissingen kan nemen.
Desondanks oordeelde de rechtbank dat het niet zonder meer in het belang van het kind is om het eenhoofdig gezag toe te kennen, mede omdat de moeder haar stellingen over mishandeling onvoldoende heeft onderbouwd. Er is geen risico dat de minderjarige klem komt te zitten tussen de ouders.
Daarom verklaarde de rechtbank voor recht dat het gezag van de vader is geschorst en wees het verzoek tot eenhoofdig gezag af.
Uitkomst: Het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag wordt afgewezen en het gezag van de vader is geschorst wegens onbekende verblijfplaats.