Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 maart 2015 in de zaak tussen
[eiseres], te[plaats], eiseres
[belanghebbende], te[woonplaats], werkneemster.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
De werkneemster was sinds mei 2011 werkzaam bij eiseres en viel in november 2011 uit wegens gezondheidsklachten. Na twee jaar ziekte diende zij een WIA-uitkeringsaanvraag in. Verweerder stelde dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht in het tweede spoor, met name door het afwijzen van een thuisopleiding en het niet aanbieden van alternatieve passende scholing.
Eiseres voerde aan dat verweerder een verkeerd toetsingskader had gehanteerd en dat zij niet gehouden was elke scholingsmogelijkheid te faciliteren, omdat de thuisopleidingen geen substantiële verbetering van de restcapaciteit zouden opleveren. De rechtbank oordeelde dat verweerder het juiste toetsingskader hanteerde, gebaseerd op wettelijke bepalingen en beleidsregels, en dat eiseres tekort was geschoten in haar re-integratieverplichtingen.
De rechtbank stelde vast dat de re-integratie in het tweede spoor tussen december 2012 en april 2013 stillag, wat niet werd gerechtvaardigd door administratieve voorbereidingen. Ook was het afwijzen van de thuisopleiding zonder het zoeken naar alternatieven onterecht, zeker gezien de beperkte opleiding en fysieke beperkingen van de werkneemster. Deelname aan algemene activiteiten zoals sollicitatietrainingen was onvoldoende gericht op passende re-integratie.
Gelet op deze feiten en het juridisch kader oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht een loonsanctie oplegde en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen en verklaart het beroep ongegrond.