ECLI:NL:RBDHA:2015:3749
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nabestaandenuitkering ex-partner zonder gezamenlijke huishouding niet in strijd met discriminatieverbod
Eiseres, die van 2001 tot 2006 samenwoonde met de overledene en twee kinderen met hem heeft, verzocht om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank wees de aanvraag af omdat ten tijde van het overlijden geen gezamenlijke huishouding bestond die gelijkgesteld kon worden aan een huwelijk of geregistreerd partnerschap.
Eiseres stelde dat deze weigering in strijd was met het anti-discriminatiebeginsel (artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro), het gelijkheids- en redelijkheidsbeginsel, het beleid van de overheid en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). De rechtbank oordeelde dat eiseres niet als nabestaande in de zin van de Anw kon worden aangemerkt en dat het onderscheid tussen ex-gehuwden met een financiële band en ex-ongehuwd samenwonenden niet in strijd is met genoemde verdragsbepalingen.
Verder overwoog de rechtbank dat de rechter geen toetsingsbevoegdheid heeft ten aanzien van de formele wetgeving en dat de aanspraken van de kinderen van eiseres op grond van het IVRK niet leiden tot een individuele afdwingbare uitkering. Het beroep werd ongegrond verklaard en de beslissing van de Sociale verzekeringsbank bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres op een nabestaandenuitkering wordt ongegrond verklaard omdat zij niet voldoet aan de vereisten van de Anw.