ECLI:NL:RBDHA:2015:4256
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in bestuursrechtelijke verblijfsvergunningszaak
In deze bestuursrechtelijke zaak betrof het geschil de vraag of verzoekster een verblijfsvergunning zou moeten krijgen, waarbij ook de zorgcapaciteit van haar echtgenoot voor hun kinderen centraal stond. Na de mondelinge behandeling van de hoofdzaak op 11 december 2014 diende verzoekster een wrakingsverzoek in tegen de rechter, stellende dat deze onpartijdigheid ontbeerde door haar verbale en non-verbale communicatie tijdens de zitting.
Tijdens de wrakingszitting op 12 januari 2015 lichtte verzoekster haar standpunten toe, waarbij zij vooral kritiek had op de wijze waarop de rechter haar gemachtigde behandelde en het voorlopige oordeel dat de rechter al tijdens de zitting zou hebben gegeven. De rechter ontkende partijdigheid en gaf aan dat de behandeling conform de bestuursrechtelijke praktijk was verlopen, waarbij partijen voldoende gelegenheid hadden gekregen hun standpunten te uiten.
De wrakingskamer oordeelde dat hoewel er irritaties en een minder plezierige sfeer waren ontstaan, deze niet voldoende waren om te vrezen voor partijdigheid. De non-verbale communicatie werd gezien als een bejegeningsprobleem en niet als vooringenomenheid. Ook het voorlopige oordeel van de rechter tijdens de zitting was toegestaan binnen de bestuursrechtelijke procespraktijk.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd bepaald dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens onvoldoende aanwijzingen voor partijdigheid.