Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2015 in de zaak tussen
[eiser], geboren op [1985], van Servische nationaliteit, eiser
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Nu in de aan de inbewaringstelling ten grondslag gelegde motivering niet tot uitdrukking is gebracht, en ook niet tot uitdrukking komt, waarom de staatssecretaris in het geval van de vreemdeling niet met toepassing van een lichter middel kan volstaan en waarom het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt (…)”, van de ABRvS in de hiervoor genoemde uitspraak van 10 april 2015, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet alsnog zijn aanvullende motivering op dit punt na het opleggen van de maatregel van bewaring naar voren kan brengen. De rechtbank stelt vast dat eiser inhoudelijk verweerders motivering over dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn niet ontbreekt, niet heeft betwist. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd niet inhoudelijk heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op die gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de aanvullende motivering voldoende gevolg gegeven aan de vereisten die zijn neergelegd in de uitspraak van de ABRvS van 10 april 2015. Ook overigens heeft de rechtbank aan deze aanvullende motivering geen gebreken gezien.
Beslissing
S.J. van Ravenhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2015.