Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2015 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser
Procesverloop
Overwegingen
- De bewijslast van de feiten die bepalend zijn voor de premieplicht rust op verweerder.
- De Rijnvaartverklaring is maatgevend: in deze verklaring is [werkgever] als exploitant van het schip aangewezen.
- Voor de periode waarin eiser werkzaam was, is EG-Verordening 883/2004 van toepassing. Op grond van artikel 13, eerste lid sub b van deze verordening is het Luxemburgse sociale zekerheidsstelsel van toepassing op eiser aangezien hij niet gedurende een substantieel gedeelte van de tijd zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht. De artikel 16-overeenkomst is niet eerder dan op 25 februari 2011 tot stand gekomen. Artikel 16 geeft Pro geen bevoegdheid om aan de overeenkomst terugwerkende kracht te verlenen. Terugwerkende kracht is verder in strijd met het beginsel van fair balance en leidt voor eiser tot een individuele en buitensporige last nu hij hierdoor wordt geconfronteerd met dubbele premieheffing. Het met terugwerkende kracht ingrijpen is dan ook in strijd met zowel het nationale als het Europese rechtszekerheidsbeginsel.
“Artikel 13
a. de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij aldaar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht, of
b. indien hij niet een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont:
i) de wetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt, (…)”
“Artikel 16
moet zijn waar de Rijnvarende voor de uitoefening van zijn beroepsactiviteit de
nauwste banden mee onderhoudt;
het filiaal van de onderneming of vennootschap zich bevindt die het schip
daadwerkelijk exploiteert, beschouwd moet worden als de wetgeving waarmee
deze beroepsactiviteit het nauwst verbonden is, (…)