Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2015 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser
[P], verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
a) Fixing transport agreements; (
[BV])
b) Supervision on loading and discharging; (
Captain/[werkgever])
c) Normal maintenance of the vessel; (
Captain/[werkgever])
d) Special survey of the vessel; (
[BV])
e) Safety on board; (
Captain/[werkgever])
f) Hiring, firing and supervision of the crew. (
Captain/[werkgever])
Transport contracts are negotiated and fixed by [[BV]], freight income and maintenance costs are also for [[BV]].
a) (un)safety on board; (
[BV])
b) Maintenance of the vessel; (
[BV])
c. Loading and discharging. (
[BV])
Annual lumpsum management fee with indexation.
- De bewijslast van de feiten die bepalend zijn voor de premieplicht rust op verweerder.
- De Rijnvaartverklaring is maatgevend: in deze verklaring is [werkgever] als exploitant van het schip aangewezen.
- Voor de periode waarin eiser werkzaam was, is EG-Verordening 883/2004 van toepassing. Op grond van artikel 13, eerste lid sub b van deze verordening is het [plaats 2] sociale zekerheidsstelsel van toepassing op eiser aangezien hij niet gedurende een substantieel gedeelte van de tijd zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht. De artikel 16-overeenkomst is niet eerder dan op 25 februari 2011 tot stand gekomen. Artikel 16 geeft Pro geen bevoegdheid om aan de overeenkomst terugwerkende kracht te verlenen. Terugwerkende kracht is verder in strijd met het beginsel van fair balance en leidt voor eiser tot een individuele en buitensporige last nu hij hierdoor wordt geconfronteerd met dubbele premieheffing. Het met terugwerkende kracht ingrijpen is dan ook in strijd met zowel het nationale als het Europese rechtszekerheidsbeginsel.
“Artikel 13
a. de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij aldaar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht, of
b. indien hij niet een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont:
i) de wetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt, (…)”
“Artikel 16
moet zijn waar de Rijnvarende voor de uitoefening van zijn beroepsactiviteit de
nauwste banden mee onderhoudt;
het filiaal van de onderneming of vennootschap zich bevindt die het schip
daadwerkelijk exploiteert, beschouwd moet worden als de wetgeving waarmee
deze beroepsactiviteit het nauwst verbonden is, (…)
Artikel 1 Definities ProVoor de toepassing van deze overeenkomst a) wordt onder het begrip ‘Rijnvarende’ een werknemer of zelfstandige verstaan, (…), die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt en dat is voorzien van het certificaat bedoeld in artikel 22 van Pro de Herziene Rijnvaartakte, (…) c) wordt onder de uitdrukking ‘de onderneming waartoe het schip behoort’ de onderneming of vennootschap verstaan die het betrokken schip exploiteert, ongeacht of deze eigenaar van het schip is of niet. Wanneer het schip door meerdere ondernemingen of vennootschappen wordt geëxploiteerd, dan geldt voor toepassing van deze overeenkomst als exploitant van het schip de onderneming of vennootschap die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is in het bijzonder voor het economische en commerciële management van het schip. Voor de vaststelling van de onderneming zijn de op de Rijnvaartverklaring vermelde gegevens maatgevend.
Artikel 4 Toepasselijke Pro wetgeving(…)
Artikel 6 Inwerkingtreding Pro
Ter onderbouwing van zijn stelling dat het schip wordt geëxploiteerd door een onderneming die niet in Nederland is gevestigd, verwijst eiser voorts naar de eerdergenoemde brief van [BV] aan verweerder van 15 december 2011. Daarin vermeldt [BV] dat zij een dochtermaatschappij is van [dochtervennootschap] welke vennootschap niet in Nederland gevestigd is en voorts dat de volledige vloot wordt geëxploiteerd vanuit Zwitserland. Hieraan verbindt eiser de conclusie dat het schip wordt geëxploiteerd door een niet in Nederland gevestigde onderneming, te weten [dochtervennootschap] dan wel haar Zwitserse dochtervennootschap. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de hiervoor onder 6 geciteerde passages uit deze brief, welke in samenhang moeten worden gelezen met de onder 7 vermelde beantwoording van de nadere vraag van verweerder in de brief van
Beslissing
mr. E.J.P. Nevens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2015.