Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
curatorin het
faillissementvan de besloten vennootschap
[A] Timmerfabriek BV,
MAATSCHAP [de maatschap] ADVOCATEN,
1.De procedure
- de dagvaarding van 13 mei 2014 tegen de eerste rolzitting van 28 mei 2014, met de producties 1 t/m 9;
- de conclusie van antwoord van 6 augustus 2014, met de producties 1 t/m 25;
- het comparitievonnis en het instructieformulier van 20 augustus 2014, en de beschikking met nadere datumbepaling door de rechtbank van 10 september 2014;
- de op 20 november 2014 ter griffie ontvangen akte met productie 10 van de curator;
- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 9 december 2014.
2.De feiten
€ 15.303,40 voor het bouwproject Maaskei en € 11.834,55 voor het bouwproject [C].
“niet conform artikel 5 van Pro de bankgarantie binnen een maand bij de bevoegde rechter aanhangig heeft gemaakt”en de bankgarantie dus volgens de bank op grond van artikel 6 daarvan Pro allang was vervallen.
3.De geschillen
4.De beoordeling
“mokerslag”te leggen conservatoire beslagen - tijdig uit te brengen dagvaarding voor de volgens de advocaten van de maatschap zonder meer bevoegde rechtbank te ’s-Hertogenbosch, zie daartoe de voorgaande citaten bij 2.2 en 2.6. Ook de op 16 december 2011 wel degelijk door de advocaten onderkende mogelijkheid van eventuele toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van HKM bracht hen blijkbaar niet op de voor een advocaat wezenlijke gedachte van een eventueel overeengekomen arbitraal beding maar slechts op minder relevante gedachten over eventueel afwijkende betalingstermijnen, zoals blijkt uit het hiervoor bij 2.6 vermelde citaat.
“doorvragen”) tussen mr. [X], mr. [Y], [B] en/of [D] op of omstreeks 12 en 13 december 2011.
“de bank zich in redelijkheid niet op het schriftelijkheidsvereiste kon beroepen.”De curator heeft daar ter zitting terecht tegen ingebracht dat de bank zich in dit geval feitelijk niet op het in artikel 5 van Pro de bankgarantie vermelde formele vereiste van een schriftelijke mededeling heeft beroepen. Indien en voor zover de maatschap hier bedoelt dat geen schriftelijke verklaring van de curator in het faillissement van HKM BV is overgelegd zoals vermeld in artikel 3 van Pro de bankgarantie, miskent de maatschap dat de bank zich jegens de curator uiteindelijk niet op artikel 3 maar Pro op artikel 5 van Pro de bankgarantie heeft beroepen en dat de bank zoals blijkt uit de inhoud van productie 10 van de curator in dit geval overigens ook voordien geen formele schriftelijke verklaring in de zin van artikel 3 van Pro de bankgarantie heeft geëist. Dit subsidiaire verweer van de maatschap zal de rechtbank bij eindvonnis dus verwerpen.