ECLI:NL:RBDHA:2015:6069
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verbod uitlevering aan Turkije wegens onvoldoende risico flagrante EVRM-schending
De zaak betreft een kort geding waarin eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon, zich verzet tegen zijn uitlevering aan Turkije op verdenking van ernstige strafbare feiten, waaronder doodslag. Eiser vordert primair een verbod op uitlevering en subsidiair het verbinden van garanties om levenslange detentie en het gebruik van in Nederland afgelegde verklaringen in Turkse procedure te voorkomen.
De rechtbank stelt vast dat Turkije het EVRM heeft geratificeerd en het individuele klachtrecht erkent, waardoor in beginsel mag worden vertrouwd op eerbiediging van EVRM-rechten. De uitlevering is eerder door de rechtbank Midden-Nederland en de Hoge Raad toelaatbaar verklaard. De minister heeft de uitlevering toegestaan zonder voorwaarden.
Eiser voert aan dat levenslange detentie zonder mogelijkheid tot vervroegde invrijheidstelling en slechte detentieomstandigheden in Turkije een flagrante schending van artikel 3 EVRM Pro opleveren. De rechtbank volgt dit niet, mede op basis van overgelegde Turkse wetgeving en een e-mail van een Turkse magistraat waaruit blijkt dat vervroegde invrijheidstelling mogelijk is. Ook het risico op marteling wordt onvoldoende concreet onderbouwd.
Voorts is onvoldoende aannemelijk dat het proces in Turkije onredelijk traag zal verlopen in strijd met artikel 6 EVRM Pro. Ten aanzien van het gebruik van in Nederland afgelegde verklaringen in Turkse procedure oordeelt de rechtbank dat dit in de strafzaak beoordeeld moet worden en dat geen aanleiding bestaat om aan de uitlevering voorwaarden te verbinden.
De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verbod op uitlevering af en verbindt geen voorwaarden aan de uitlevering aan Turkije.